ECLI:NL:GHARL:2022:3111

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.792/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen sanctie wegens overtreding geslotenverklaring

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €140 wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 RVV 1990) op 13 oktober 2019 in Enschede. De betrokkene voerde aan dat er geen verkeersbesluit ten grondslag lag aan het bord, waardoor de sanctie niet opgelegd had mogen worden. De kantonrechter verwierp dit verweer en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde de betrokkene dat het legaliteitsbeginsel vereist dat het verweer wordt beoordeeld aan de hand van de jurisprudentie die gold ten tijde van de gedraging. Het hof oordeelde echter dat jurisprudentie die na de gedraging tot stand kwam het recht vaststelt zoals dat ook toen al gold, tenzij er een overgangsregeling is, wat hier niet het geval was.

Het hof verwierp het verweer dat het ontbreken van een verkeersbesluit aanleiding geeft tot het achterwege laten of matigen van de sanctie. Het beroep werd dan ook terecht ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het beroep van de betrokkene af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.792/01
CJIB-nummer
: 229240945
Uitspraak d.d.
: 21 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J. Vogels, kantoorhoudende te Son en Breugel.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990. Eenrichtingsverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 oktober 2019 om 2:17 uur op de Prinsestraat in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat er geen verkeersbesluit ten grondslag ligt aan de plaatsing van het betreffende bord C2. Er mocht dus geen sanctie worden opgelegd voor handelen in strijd met dat bord. De kantonrechter heeft dit verweer verworpen onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad. Dat arrest is echter pas gewezen na de onderhavige gedraging. Op grond van het legaliteitsbeginsel moet het verweer worden beoordeeld aan de hand van de toen geldende jurisprudentie. Dit brengt mee dat moet worden geoordeeld dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een sanctie niet billijken.
3. De opvatting van de gemachtigde dat de jurisprudentie zoals die gold ten tijde van de gedraging moet worden toegepast bij de beoordeling van het verweer, vindt geen steun in het recht. Met (na de gedraging tot stand gekomen) jurisprudentie wordt het recht vastgesteld zoals dat ook voor de totstandkoming van die jurisprudentie al gold. Dit brengt mee dat dat recht bij de beoordeling van het verweer moet worden toegepast. Dat zou slechts anders zijn indien de (nieuwe) jurisprudentie voorziet in een overgangsregeling. Daarvan is hier geen sprake.
4. Het verweer met betrekking tot het ontbreken van een verkeersbesluit faalt dan ook. Het ontbreken van een verkeersbesluit betreft immers geen omstandigheid die aanleiding geeft om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:2020:1055).
5. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.