De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol op een datum in het verleden te een plaats binnen een gemeente. Het hof vernietigde het eerdere vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht. De verdachte voerde primair aan niet in de auto te hebben gereden en subsidiair dat de twintigminutentermijn tussen het voorlopige ademonderzoek en het politiebureau-onderzoek was overschreden, wat bewijsuitsluiting zou moeten opleveren.
Het hof oordeelde dat het alternatieve scenario van de verdachte ongeloofwaardig was en dat de verklaringen van de verbalisanten, die de verdachte achter het stuur zagen en een positieve ademtest afnamen, betrouwbaar en consistent waren. De twintigminutentermijn was niet geschonden. De verdachte had een ademalcoholgehalte van 405 microgram per liter, bijna twee keer de toegestane limiet.
Het hof hield rekening met het feit dat verdachte niet eerder strafrechtelijk was veroordeeld en constateerde een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van ruim zeven maanden, maar vond dit niet reden om de straf te matigen. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €425,-, subsidiair 8 dagen hechtenis. Het hof vernietigde tevens de eerder uitgevaardigde strafbeschikking.