De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van het bedrijfspand aan de [adres1] 16 te [plaats1] per 1 januari 2019 vast op € 568.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. De rechtbank Midden-Nederland stelde de waarde bij uitspraak op 2 maart 2021 vast op € 500.000. Zowel de heffingsambtenaar als belanghebbende gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
Tijdens de zitting op 15 februari 2022 werden de taxatierapporten en vergelijkingsobjecten besproken. Het hof constateerde dat de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten significant verschilden van het bedrijfspand, onder meer qua oppervlakte en bestemming, en dat onvoldoende was onderbouwd hoe met deze verschillen rekening was gehouden. Ook was het aanvangsrendement van 4,42% onvoldoende gemotiveerd en week af van de gangbare ranges.
Het hof oordeelde dat het verkoopcijfer van april 2021 niet bruikbaar was voor de waardepeildatum van januari 2019 vanwege het tijdsverloop zonder adequate indexatie. Belanghebbende slaagde er evenmin in haar lagere waarde aannemelijk te maken, omdat haar taxatierapport was opgesteld voor balanswaardering en niet voor WOZ-doeleinden. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs bij beide partijen stelde het hof de waarde in goede justitie vast op € 500.000, conform de rechtbank.
Het hoger beroep en het incidentele hoger beroep werden ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht werd vastgesteld op € 541.