ECLI:NL:GHARL:2022:3289

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
26 april 2022
Zaaknummer
200.299.014
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wijziging kinder- en partneralimentatie ondanks inkomensverlies man

Het huwelijk van de man en vrouw is ontbonden op 3 maart 2020, waarbij alimentatieverplichtingen voor de man zijn vastgesteld. De man verzocht om verlaging van de kinder- en partneralimentatie wegens inkomensverlies door ontslag en COVID-19.

De rechtbank wees dit verzoek af, waarna de man in hoger beroep ging met vijf grieven, onder meer over het inkomen van de vrouw, verwijtbaarheid van inkomensverlies en draagkracht van de man. De vrouw betwistte de verzoeken en verzocht afwijzing.

Het hof stelde vast dat het inkomen van de vrouw min of meer gelijk is gebleven en dat de man ondanks ontslag en inkomensverlies voldoende draagkracht heeft om de alimentatie te voldoen. Het hof oordeelde dat het inkomensverlies van de man herstelbaar is, gezien zijn leeftijd, arbeidsverleden en inspanningen om nieuw werk te vinden.

Daarom werd het verzoek tot wijziging van de alimentatie afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie af en bekrachtigt de eerdere beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.299.014
(zaaknummer rechtbank Overijssel 260767)
beschikking van 26 april 2022
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. S.E.W.C.M. Kneepkens te Naarden,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de vrouw,
en
[de jong-meerderjarige],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: [de jong-meerderjarige] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat: mr. S. Groothuismink te Enschede.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 11 mei 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 augustus 2021;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht van mr. Groothuismink van 18 februari 2022 met producties;
  • een journaalbericht van mr. Groothuismink van 18 februari 2022 met productie;
  • een journaalbericht van mr. Kneepkens van 21 februari 2022 met producties, en
  • een journaalbericht van mr. Kneepkens van 23 februari 2022 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 maart 2022 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat, en
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
[de jong-meerderjarige] heeft zijn moeder (de vrouw) blijkens een overgelegde volmacht, gedateerd op 6 november 2021, gemachtigd om hem in en buiten rechte te vertegenwoordigen en rechtshandelingen te verrichten en al datgene te doen wat hij zou mogen doen in de onderhavige procedure.

3.De feiten

3.1
Het huwelijk van de man en de vrouw is op 3 maart 2020 ontbonden door echtscheiding.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van:
  • [de jong-meerderjarige] , geboren [in] 2003 te [plaats1] (Verenigde Staten);
  • [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2005 te [woonplaats1] , en
  • [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2007 te [plaats2] (Verenigde Staten).
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw. De man en de vrouw zijn gezamenlijk belast met het gezag over hen.
3.3
Bij (echtscheidings)beschikking van 11 februari 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking. In het ouderschapsplan is – voor zover thans van belang – bepaald dat de man met ingang van 1 februari 2018 en zolang de kinderen bij de vrouw wonen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal voldoen van € 651,- per maand voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige1] en een bijdrage van € 539,- per maand voor [de minderjarige2] . De bijdragen worden per 1 januari 2020 voor het eerst geïndexeerd.
De rechtbank heeft voorts bepaald dat de man met ingang van 3 maart 2020 tot en met de maand juli 2025 € 528,- per maand aan de vrouw voldoet als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
De bijdrage voor [de jong-meerderjarige] en [de minderjarige1] bedraagt als gevolg van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2021 € 670,53 per maand, voor [de minderjarige2] € 555,17 per maand en voor de vrouw € 543,84,- per maand.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de man tot wijziging van de eerder vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), afgewezen.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking, voor zover deze ziet op de kinder- en partneralimentatie. De eerste grief ziet op het inkomen van de vrouw. De tweede grief ziet op het verwijtbare inkomensverlies. De derde grief ziet op de mogelijkheid van de man om de eerder vastgestelde bijdragen nog steeds te voldoen. De vierde grief ziet op de herstelbaarheid van het gederfde inkomen. De vijfde grief (per abuis door de man aangeduid als de zesde grief) ziet op het niet opnieuw berekenen van de kinder- en partneralimentatie.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking – naar het hof begrijpt voor zover daarbij de wijziging van de kinder- en partneralimentatie is afgewezen – te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:
  • de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 11 mei 2021, althans een datum die het hof juist acht, op € 25,- per maand te stellen voor alle drie de kinderen, althans voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , althans op een door het hof te bepalen bijdrage;
  • de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 11 mei 2021 op nihil wordt gesteld, althans op een door het hof te bepalen bijdrage en datum, en
  • de vrouw de reeds ontvangen en te veel betaalde bijdragen dient terug te betalen en dat deze bijdragen onverschuldigd zijn betaald.
4.3
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

5.De motivering van de beslissing

Wijziging van omstandigheden
5.1
In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het hof is met de man en de rechtbank van oordeel dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de onderhoudsbijdragen rechtvaardigt, nu de man ten gevolge van covid-19 zijn baan en daarmee zijn primaire bron van inkomsten heeft verloren.
Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat het inkomen van de vrouw is toegenomen. Hij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd, ook nadat die stelling door de vrouw gemotiveerd is betwist. Daarbij betrekt het hof dat niet bekend is wat het inkomen van de vrouw was ten tijde van het vaststellen van de kinder- en partneralimentatie, zodat niet vastgesteld kan worden of het inkomen van de vrouw is vermeerderd. De vrouw heeft bovendien tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat haar huidige inkomen bij [naam1] min of meer gelijk is aan haar oude inkomen bij [naam2] .
Kinder- en partneralimentatie
5.2
De man heeft niet betwist dat het inkomen van de vrouw min of meer gelijk gebleven is. Derhalve staat slechts de draagkracht van de man ter beoordeling van het hof en daarbinnen staat cerntraal de vraag of de man – nog – in staat is de geldende bijdragen te betalen.
5.3
De man stelt dat bij de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke inkomen per 11 mei 2021. Dat – lagere – inkomen kan hij sindsdien als gevolg van de beëindiging van zijn dienstverband met [naam3] GmbH (hierna: [naam3] ) op 1 november 2020 niet meer kan aanvullen tot het niveau van vóór de daarvoor.
De vrouw voert daartegen verweer.
5.4
Het hof stelt vast dat de man op grond van zijn arbeidsovereenkomst met [naam3] € 6.600,- netto per maand verdiende inclusief bonus. Deze arbeidsovereenkomst is per 1 november 2020 beëindigd en uit dien hoofde heeft de man een ontslagvergoeding ontvangen van € 50.000,- bruto, te weten € 27.845,26 netto. Daarnaast heeft de man van [naam3] een bedrag van € 21.877,- bruto, te weten € 12.183,70 netto, aan ‘patent reward’ ontvangen.
Het hof overweegt dat de man verder over de periode van 1 november 2020 tot 30 januari 2022 recht had op een Duitse werkloosheidsuitkering van € 2.188,50 netto per maand, zoals blijkt uit de brief van ‘Bundesagentur für Arbeit’ van 5 november 2020. De uitkering van de man is echter gestopt per 1 februari 2021, omdat de man niet meer beschikbaar was voor de Duitse markt, aldus de brief van ‘Bundesagentur für Arbeit’ van 9 februari 2021. Volgens de man was sprake van een miscommunicatie, omdat hij zijn verhuizing naar Nederland schriftelijk had moeten doorgeven. De man was na zijn verhuizing als ‘Grenzgänger’ alsnog beschikbaar voor de Duitse markt. Het bezwaar van de man is ongegrond verklaard. Hij heeft er om proceseconomische redenen voor gekozen om daarna niet verder te procederen.
Voorts overweegt het hof dat de man per 1 juni 2021 een ‘agency agreement’ is aangegaan met [naam4] Ltd. uit Japan, waarbij hij een ‘commission’ ontvangt van € 3.500,- per maand. Dit contract loopt tot 31 maart 2022 en de man verwacht dat deze overeenkomst wordt verlengd. Niet vastgelegd is hoeveel uren de man hiervoor werkzaam is.
De man is per 1 december 2021 ook een contract aangegaan met [naam5] , uit de Verenigde Staten, waarbij hij $ 4,500 per maand verdient (‘rate’) ofwel € 3.825,- per maand, plus een eenmalige bonus van $ 5,000 en de mogelijkheid van ‘rate increases’. Dit contract loopt tot en met november 2022. Ook in dit contract zijn de te werken uren niet vastgelegd.
5.5
Voor de beantwoording van de vraag of al dan niet rekening moet worden gehouden met het inkomensverlies aan de zijde van de man, dient allereerst te worden beoordeeld of dit inkomensverlies voor herstel vatbaar is. Het hof overweegt hiertoe dat de man bij [naam3] een goede functie bekleedde op hoog niveau, waarbij leeftijd geen belemmerende factor is. De man heeft bij [naam3] een bestralingsmethode voor kinderen met kanker ontwikkeld die het weefsel minder beschadigt. Voorts overweegt het hof dat de man vanaf 27 juli 2020 fulltime beschikbaar was en zich vanaf dat moment kon – en moest – inspannen om zijn inkomen op het oude niveau te herstellen. Ter mondelinge behandeling heeft de man verklaard dat [naam3] geen patent had gekregen op de door hem ontwikkelde bestralingsmethode, waardoor de man daarmee in eigen beheer door kan gaan en ook gaat.
Voorts acht het hof van belang dat de man naar eigen zeggen – tijdens het huwelijk – vaak van baan is gewisseld en altijd goedbetaalde banen heeft gehad in verschillende landen. Ter zitting van het hof verklaarde de man dat hij gewild is en dat hij met enige regelmaat wordt benaderd door potentiële werk- of opdrachtgevers.
Gelet op dit alles acht het hof de man in staat om zijn inkomen op het oude niveau te herstellen.
5.6
Het hof is voorts van oordeel dat van de man ook kan worden verwacht dat hij zijn inkomen tot het oude niveau herstelt: hij heeft geen lichamelijke of psychische beperkingen die in de weg staan aan het – voltijds – verrichten van werkzaamheden, zoals hij dat in het verleden ook heeft gedaan. Zijn arbeidsverleden wijst er ook op dat de man flexibel is, nu hij vaak van werkgever en inkomstenbron is gewisseld. De keuze van de man om zich na het einde van zijn dienstverband mede te richting op de ‘start up’ – waarvoor hij nog een Europese ‘funding’ zoekt en waaruit hij nog geen inkomsten genereert – komt naar het oordeel van het hof voor zijn rekening en risico in het licht van zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen en de vrouw.

6.De slotsom

6.1
Op grond van het vorenstaande zijn de omstandigheden sedert de echtscheidingsbeschikking weliswaar gewijzigd, maar was en is de man in staat de geldende bijdragen te betalen. Derhalve zal het hof de verzoeken van de man in hoger beroep afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 11 mei 2021, voor zover het betreft de kinder- en partneralimentatie;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, J.B. de Groot en T. Hermans, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 26 april 2022 uitgesproken door mr. J.H. Lieber in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.