ECLI:NL:GHARL:2022:331

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
18 januari 2022
Zaaknummer
200.276.199/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie parkeren op laad- en losplaats na hoger beroep

De betrokkene stelde in hoger beroep dat haar voertuig niet op een laad- en losplaats stond, maar op een parkeerplaats van de gemeente, en verwees naar een situatie waarbij een andere persoon van de gemeente een sanctie kreeg maar deze werd ingetrokken. Het hof beoordeelde of de brieven van de betrokkene als hoger beroepschrift konden worden gezien en concludeerde dat dit het geval was, ondanks dat zij haar verzoeken bleef aanduiden als herziening.

De sanctie van €95,- was opgelegd wegens parkeren op 8 mei 2018 op een plek bestemd voor onmiddellijk laden en lossen, zoals vastgesteld door een daartoe aangewezen ambtenaar. Deze ambtenaar had foto’s en een proces-verbaal overlegd waaruit bleek dat het voertuig van de betrokkene tussen borden E7 stond geparkeerd zonder laad- of losactiviteiten gedurende tien minuten.

De betrokkene kon geen concrete argumenten aandragen die de juistheid van deze gegevens in twijfel trokken. Haar beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat zij niet aannemelijk maakte dat de situatie van de andere gemeentemedewerker vergelijkbaar was. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter dat het beroep ongegrond was en de sanctie terecht was opgelegd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter dat de sanctie voor fout parkeren terecht is opgelegd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.276.199/01
CJIB-nummer
: 217111938
Uitspraak d.d.
: 18 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 18 juni 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

Bij de rechtbank zijn verschillende brieven van de betrokkene binnengekomen. De griffier van de rechtbank heeft deze brieven samen met het dossier van deze zaak doorgestuurd naar het hof.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft een nadere toelichting gegeven.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 4 augustus 2020 is nog een door het CJIB en de rechtbank doorgestuurde brief van de betrokkene ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan advocaat-generaal.

De beoordeling

1. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de brieven van de betrokkene niet kunnen worden aangemerkt als een hoger beroepschrift en dat aldus moet worden verstaan dat geen hoger beroep is ingesteld.
2. Een geschrift kan slechts dan als een beroepschrift in hoger beroep worden beschouwd indien daaruit blijkt van de wil, althans de kennelijke bedoeling van de betrokkene om bij het hof een hogere voorziening te vragen van de beslissing van de kantonrechter.
3. Op 5 september 2019, 10 september 2019, 16 oktober 2019 en 5 november 2019 zijn bij de rechtbank brieven van de betrokkene binnengekomen, waarin zij om herziening van de beslissing van de kantonrechter vraagt. Bij brief van 7 november 2019 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene bericht dat haar zaak op 18 juni 2019 is afgedaan en dat de rechtbank haar brieven niet meer inhoudelijk zal behandelen, maar dat het wel mogelijk is om in hoger beroep te gaan. De griffier van de rechtbank verzoekt de betrokkene om binnen twee weken aan te geven of zij dit wenst. Vervolgens is op 13 november 2019 een brief van de betrokkene bij de rechtbank binnengekomen, waarin zij wederom aangeeft een herzieningsverzoek te willen indienen. Bij brief van 18 november 2019 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene bericht dat een herzieningsverzoek niet mogelijk is, maar dat het wel mogelijk is om in hoger beroep te gaan. De betrokkene wordt verzocht om binnen twee weken aan te geven of zij dit wenst. Vervolgens is op 20 november 2019 een brief van de betrokkene bij de rechtbank binnengekomen, waarin zij vraagt waarom een herziening niet mogelijk is. Bij brief van 27 november 2019 heeft de griffier van de rechtbank hierop gereageerd en de betrokkene verzocht om wanneer zij in hoger beroep wenst te gaan dit binnen vijf dagen aan te geven. Op 12 maart 2020 is bij rechtbank een door de CVOM doorgestuurde brief van de betrokkene binnengekomen, waarin zij aangeeft nog niets te hebben vernomen van het hof in Leeuwarden waarnaar haar herzieningsverzoek zou zijn doorgestuurd.
4. Naar het oordeel van het hof kunnen de bovengenoemde brieven worden beschouwd als een hoger beroepschrift. Hoewel de betrokkene niet expliciet heeft gereageerd op het verzoek van de griffier van de rechtbank om aan te geven of zij hoger beroep wil instellen, kan uit de brieven van de betrokkene wel worden afgeleid dat zij een hogere voorziening wenst van de beslissing van de kantonrechter. De omstandigheid dat zij dit ten onrechte een herziening blijft noemen maakt dit niet anders.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof overgaan tot de beoordeling van het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter. Het hof stelt hierbij voorop dat in de onderhavige procedure slechts ter beoordeling voorligt of aan de betrokkene terecht een sanctie is opgelegd en of de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen op het beroep. De overige klachten van de betrokkene vallen buiten de reikwijdte van deze procedure. Het hof zal deze klachten dan ook onbesproken laten.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 mei 2018 om 16:20 uur op de Taxandriaweg in Waalwijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
7. De betrokkene voert aan dat haar voertuig niet stond geparkeerd op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen, maar op een parkeerplaats voor mensen van de gemeente Waalwijk. De betrokkene had die dag een afspraak op het gemeentehuis met iemand van de gemeente. Verder voert de betrokkene aan dat aan iemand van de gemeente Waalwijk die dag ook een sanctie was opgelegd, maar dat die sanctie was ingetrokken, omdat die persoon bij de gemeente werkzaam was.
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de verklaring van de ambtenaar dat hij heeft geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats stond geparkeerd op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen en dat hij gedurende 10 minuten geen laad-/losactiviteiten heeft waargenomen.
10. Verder bevindt zich in het dossier een proces-verbaal d.d. 23 november 2018 waarin de ambtenaar verklaart dat de betreffende gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen was aangeduid middels bebording E7 van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Als bijlage bij dit proces-verbaal zijn de foto’s gevoegd die de ambtenaar ter plaatse heeft gemaakt, alsmede twee foto’s afkomstig van Google Maps Streetview. Op deze foto’s is een gebouw te zien met daarvoor een met klinkers bedekt weggedeelte. Aan de linkerkant van dit weggedeelte staat een bord E7 met een onderbord met daarop een pijl naar rechts. Aan de rechterkant van dit weggedeelte staat een bord E7 met een onderbord met daarop een pijl naar links. De ambtenaar heeft op één van de door hem gemaakte foto’s met een pijl aangegeven welk voertuig van de betrokkene is. Dit voertuig staat tussen de bovengenoemde borden E7 in.
11. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd op een gelegenheid voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door de foto’s die de ambtenaar ter plaatse heeft gemaakt. De stelling van de betrokkene dat haar voertuig niet stond geparkeerd op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen, maar op een parkeerplaats voor mensen van de gemeente Waalwijk, komt neer op een enkele ontkenning en dat is onvoldoende om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
12. Voor zover door de betrokkene een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel, wordt dit beroep verworpen. De betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gestelde situatie waarin de sanctie zou zijn ingetrokken, gelijk is aan de hier aan de orde zijnde situatie. Er is dan ook geen reden om oplegging van de sanctie achterwege te laten.
13. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.