In deze zaak gaat het om een geschil tussen een huurder en verhuurders over het herstel van verwijderde rookkanalen in een gehuurde benedenwoning. De rookkanalen zijn verwijderd tijdens verbouwingswerkzaamheden in de bovenwoning, waardoor de huurder geen gebruik meer kan maken van verwarming en warm water. De huurder vorderde in kort geding herstel van de rookkanalen, wat door de voorzieningenrechter werd toegewezen.
De verhuurders gingen in hoger beroep tegen deze veroordeling en stelden dat herstel onmogelijk en onredelijk kostbaar zou zijn, omdat er inmiddels appartementen op de bovenverdieping zijn gerealiseerd. Het hof oordeelt dat er wel sprake is van een gebrek en dat de verhuurders dit moeten verhelpen. Het herstel kan echter ook door een passend alternatief, zoals elektrische of centrale verwarming met isolatie en compensatie van energiekosten, worden gerealiseerd.
Het hof veroordeelt de verhuurders om binnen twee weken een voorstel te doen aan de huurder voor herstel of een alternatief en om dit binnen twee maanden na acceptatie uit te voeren, onder dwangsom. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.