ECLI:NL:GHARL:2022:3350

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
26 april 2022
Zaaknummer
Wahv 200.300.027/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a RVV 1990Art. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden op fiets

De betrokkene is door de kantonrechter veroordeeld tot een boete van €95 wegens het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op een fiets. Hij stelde dat hij niet reed, omdat hij met één been op de grond stond en stapte, en dat het vasthouden van de telefoon daarom was toegestaan.

Het hof oordeelt dat het met één been op de grond steppend voortbewegen op een fiets ook onder het begrip 'rijden' valt volgens artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De betrokkene heeft de overtreding begaan door tijdens het rijden een mobiel apparaat vast te houden.

Ook het feit dat hij op verzoek van de agent de telefoon opborg, doet niet af aan de geconstateerde overtreding. Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk en bevestigt het vonnis van de kantonrechter, waarmee de boete gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Het hof bevestigt de boete van €95 voor het vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden op een fiets.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.300.027/01
CJIB-nummer
: 234082571
Uitspraak d.d.
: 26 april 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 24 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 april 2022. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal het standpunt gehandhaafd dat de betrokkene niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het beroepschrift van de betrokkene bevat geen beroepsgronden terwijl dit op grond van artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wel verplicht is. Het verzuim is ook niet hersteld binnen de termijn die daartoe is gesteld in de brief van de griffier van het hof van 13 oktober 2021.
2. De betrokkene heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat het juridisch loket hem heeft meegedeeld dat hij met de inhoud van zijn brief van 21 juli 2021 kan volstaan. Hij heeft ook geen brief van de griffier van het hof ontvangen dat er iets aan zijn brief schortte. Had hij een dergelijke brief ontvangen dan had hij daar wel op gereageerd.
3. De betrokkene heeft in zijn brief van 21 juli 2021 slechts meegedeeld dat hij hoger beroep instelt en een zitting wenst. De brief bevat geen beroepsgronden als bedoeld in artikel 6:5 van Pro de Awb. De brief van de griffier van het hof van 13 oktober 2021 is niet aangetekend verstuurd. Nu de betrokkene ontkent die brief te hebben ontvangen, moet het ervoor worden gehouden dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld het verzuim de gronden van het beroep op te geven te herstellen. Het hof acht het hoger beroep daarom ontvankelijk.
4. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.” Deze gedraging zou zijn verricht op 1 juni 2020 om 15:43 uur op de Boulevard Barnaart in Zandvoort, rijdend op een fiets.
5. Artikel 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) verbiedt het degene die een voertuig bestuurt tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat dat gebruikt kan worden voor communicatie of informatieverwerking vast te houden. Onder een mobiel elektronisch apparaat wordt in elk geval verstaan een mobiele telefoon, een tabletcomputer of een mediaspeler.
6. De betrokkene heeft ter zitting van het hof voor zover van belang het volgende aangevoerd.
Zittend op het zadel van zijn fiets en met één been een trapper bedienend en met zijn andere been lopend op de grond, heeft hij zijn mobiele telefoon vastgehouden om een bericht te lezen. Hij stepte en reed niet op zijn fiets. Van fietsen is alleen sprake als je zittend op het zadel met beide benen de trappers van de fiets bedient. Het was dan ook toegestaan op dat moment een telefoon vast te houden. Ook had geen sanctie mogen worden opgelegd omdat hij heeft voldaan aan het verzoek van de agent de telefoon op te bergen en hij deze bij zijn staandehouding dus niet meer vasthield.
7. De stellingen van de betrokkene vinden geen steun in het recht. De wijze waarop de betrokkene stelt zich op zijn fiets te hebben voortbewogen, zittend op het zadel van zijn fiets en met één been een trapper bedienend en met zijn andere been lopend op de grond, is ook aan te merken als het besturen van en rijden op een fiets. Al op grond van de eigen verklaring van de betrokkene kan daarom worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
8. Ook als de betrokkene heeft voldaan aan het verzoek zijn mobiele telefoon op te bergen - de ambtenaar verklaart anders - dan brengt die omstandigheid niet mee dat een sanctie achterwege moet worden gelaten. Op het moment van het verzoek was al geconstateerd dat de betrokkene tijdens het rijden op de fiets een mobiele telefoon vasthield. De enkele omstandigheid dat de gedraging is verricht kan al rechtvaardigen dat daarvoor een sanctie wordt opgelegd. Gelet op het bepaalde in artikel 61a RVV 1990 is niet relevant of de betrokkene bij zijn staandehouding de mobiele telefoon vasthield of niet.
9. De verweren van de betrokkene treffen geen doel. De kantonrechter heeft het beroep dan ook terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.