Partijen zijn in 2015 gescheiden en spraken in het echtscheidingsconvenant af dat er geen partneralimentatie zou zijn tenzij de omstandigheden drastisch veranderen. Na verkoop van de echtelijke woning werd in 2016 een draagkrachtberekening opgesteld, waaruit voortvloeide dat de man € 829 per maand aan de vrouw zou betalen. Dit bedrag is door de man tot augustus 2020 betaald, waarna hij stopte met betalen.
De vrouw verzocht de rechtbank om vaststelling en hervatting van de partneralimentatie. De rechtbank oordeelde dat er een geldige overeenkomst bestond en dat de man gehouden was tot betaling. De man kwam in hoger beroep met drie grieven: hij stelde dat het verzoek van de vrouw niet als eerste vaststelling van alimentatie mocht worden opgevat, dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd trad en dat hij een zelfstandig verzoek tot wijziging had gedaan.
Het hof verwierp alle grieven. Er is geen wettelijke verplichting dat een overeenkomst over partneralimentatie door de rechter moet worden vastgesteld om rechtsgeldig te zijn. De rechtbank trad niet buiten de rechtsstrijd, omdat het verzoek van de vrouw gericht was op hervatting van de overeengekomen betalingen. Het vermeende zelfstandige verzoek van de man werd niet als zodanig aangemerkt omdat het niet expliciet was en niet in eerste aanleg was ingediend.
Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank en wees het meer of anders verzochte af.