ECLI:NL:GHARL:2022:339

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
18 januari 2022
Zaaknummer
200.298.869/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenBesluit proceskosten bestuursrechtReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en toekenning proceskostenvergoeding bij vernietiging sanctiebeschikking

De betrokkene was in beroep gegaan tegen een sanctiebeschikking van €95 wegens handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen. De advocaat-generaal vernietigde de sanctiebeschikking, waardoor het hoger beroep feitelijk zijn doel verloor en het hof het beroep niet-ontvankelijk verklaarde.

De advocaat-generaal stelde dat alleen proceskosten van het hoger beroep vergoed moesten worden, omdat pas in hoger beroep aannemelijk was gemaakt dat de gedraging binnen de verleende ontheffing viel. Het hof oordeelde echter dat de betrokkene vanaf het begin een beroep deed op een ontheffing en dat de gemachtigde niet eerder om aanvullende informatie was gevraagd, zodat ook de kosten van eerdere beroepsfases voor vergoeding in aanmerking komen.

Het hof bepaalde de proceskostenvergoeding op basis van forfaitaire punten per proceshandeling, rekening houdend met de zwaarte van de zaak, en veroordeelde de advocaat-generaal tot een vergoeding van €1.544,25. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.544,25.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.298.869/01
CJIB-nummer
: 231515930
Uitspraak d.d.
: 18 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 8 juni 2021, betreffende

[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 25 oktober 2021 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking is vernietigd en dat de betrokkene en de gemachtigde daarover zijn geïnformeerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 95,- opgelegd voor de gedraging “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan
2 wielen”. Nu de advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd. Daarom heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak van het hof op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uitsluitend ten aanzien van de proceshandeling in hoger beroep een proceskostenvergoeding behoort te worden toegekend. Op een ontheffing kan slechts een beroep worden gedaan wanneer niet alleen die ontheffing wordt overgelegd, maar ook wordt aangetoond dat is voldaan aan alle voorwaarden die aan de ontheffing zijn verbonden. De gemachtigde heeft dit in administratief beroep en in beroep bij de kantonrechter nagelaten en uitsluitend de betreffende ontheffing overgelegd. Eerst in hoger beroep is aannemelijk gemaakt dat de gedraging is verricht in het kader van de werkzaamheden waarvoor de ontheffing is verleend. Daarom komen wat de advocaat-generaal betreft slechts de kosten voor het hoger beroep voor vergoeding in aanmerking.
3. Het hof stelt voorop dat er in de regel aanleiding is voor een vergoeding van de proceskosten wanneer de betrokkene geheel of deels in het gelijk is gesteld (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336). Bij uitzondering kan er aanleiding zijn van dit uitgangspunt af te wijken.
4. Namens de betrokkene is van meet af aan een beroep gedaan op een door de Minister aan de bestuurder van het voertuig verleende ontheffing, die vrijstelling inhoudt van bepaalde voorschriften uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Een kopie van de ontheffing is in iedere beroepsfase meegestuurd. Hoewel van degene die een beroep doet op een ontheffing mag worden verwacht dat dit beroep van een onderbouwing wordt voorzien, is het niet zo dat bij voorbaat moet worden aangetoond dat aan alle aan de ontheffing verbonden voorwaarden is voldaan. Wanneer de officier van justitie over het gebruik van de ontheffing aanvullende informatie verlangde, had hij de gemachtigde daar schriftelijk of tijdens de hoorzitting om kunnen vragen. Dat is niet gebeurd. Evenmin blijkt dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter om een nadere onderbouwing is verzocht. Eerst in de beslissing van de kantonrechter van 8 juni 2021 is overwogen dat niet is aangetoond dat de bestuurder ter plaatse moest zijn in het kader van werkzaamheden. Naar aanleiding van deze overweging van de kantonrechter heeft de gemachtigde een aanvullende verklaring van de werkgever overgelegd die voor de advocaat-generaal aanleiding was de inleidende beschikking te vernietigen. Gezien het hiervoor weergegeven verloop van de procedures kan de gemachtigde in redelijkheid niet worden tegengeworpen dat hij de extra informatie, die kennelijk voor de kantonrechter en het openbaar ministerie doorslaggevend was, eerder had moeten inbrengen. De proceskosten voor alle beroepsfases komen daarom voor vergoeding in aanmerking.
5. De vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, een hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift.
6. Aan het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting dient één punt te worden toegekend. Het hof zal met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. In het administratief beroep bedraagt de waarde per punt € 541,-. Voor het beroep op de kantonrechter en het hoger beroep bedraagt de waarde per punt € 759,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1.544,25 (= 1,5 x € 534,- x 0,5 + 3 x € 759,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.544,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.