ECLI:NL:GHARL:2022:3567

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2022
Publicatiedatum
4 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.642/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RVV 1990Art. 18 RVV 1990Art. 62 RVV 1990Art. 80 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van sanctie wegens niet verlenen van voorrang op kruispunt

De betrokkene kreeg een sanctie van €240,- opgelegd wegens het niet verlenen van voorrang op de Kleverskerkseweg in Middelburg op 3 juli 2019. Hij stelde dat hij was gestopt voor de haaientanden en dus wel voorrang had verleend. De ambtenaren en getuigen verklaarden echter dat de betrokkene het kruispunt naderde zonder vaart te minderen en pas op het laatste moment remde en stopte, waarbij hij de haaientanden overschreed. Hierdoor kon de andere bestuurder zijn weg niet ongehinderd vervolgen.

De relevante wettelijke bepalingen uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en de Nota van toelichting werden besproken. Volgens artikel 1 RVV Pro 1990 betekent voorrang verlenen dat de andere bestuurder zijn weg ongehinderd kan vervolgen, niet slechts dat de doorgang vrijgelaten wordt. De situatie ter plaatse werd nader onderzocht, waarbij verkeersborden en haaientanden duidelijk aangaven welke weg voorrang had.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. De betrokkene werd dus terecht gesanctioneerd voor het niet verlenen van voorrang.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €240,- wegens het niet verlenen van voorrang en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.642/01
CJIB-nummer
: 226845573
Uitspraak d.d.
: 4 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “Geen voorrang verlenen bij voorrangsweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 juli 2019 om 17:23 uur op de Kleverskerkseweg in Middelburg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene gestopt is voor de haaientanden. Daarmee is voorrang verleend zodat de gedraging niet is verricht. Anders dat de ambtenaar verklaart is de betrokkene niet op het kruispunt gestopt. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaring. Ook indien de haaientanden iets zouden zijn overschreden, was passeren mogelijk. Van een eventuele overschrijding zou dus geen hinder zijn ondervonden. Verder is de betreffende weg eerder aangeduid als voorrangsweg middels het bord B1. Gelet hierop is het vreemd dat haaientanden op het wegdek zijn aangebracht. Bestuurders verkeren door het bord B1 in de veronderstelling dat ze op een voorrangsweg rijden.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 in Pro verbinding met artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Artikel 62 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden. Ingevolge artikel 80 van Pro het RVV 1990 hebben haaientanden de volgende betekenis: “de bestuurders moeten voorrang verlenen aan bestuurders op de kruisende weg”.
4. Artikel 1 van Pro het RVV 1990 bepaalt dat onder voorrang verlenen wordt verstaan: het de betrokken bestuurders in staat stellen hun weg ongehinderd te vervolgen.
5. De Nota van toelichting merkt hieromtrent onder meer op (Staatsblad 1990, 495, pag. 90):
"In het RVV 1990 is gekozen voor een expliciete omschrijving van het begrip voorrang verlenen. In plaats van "de doorgang vrijlaten" wordt nu gesproken van de bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen. Met name impliceert dit dat een bestuurder die snel een kruispunt nadert en pas op het laatste moment stopt waarbij hij de indruk wekt bij het voorrangsgerechtigde verkeer dat hij niet aan zijn voorrangsverplichting zou voldoen, geen voorrang verleent, hoewel hij in objectieve termen wel de doorgang vrijlaat. Het wordt gewenst geacht dergelijke bestuurders op het negeren van de voorrangsregel aan te kunnen spreken. Hierbij wordt aangesloten bij de recente jurisprudentie over het voorrang geven." De Nota van toelichting op artikel 18 RVV Pro 1990 houdt onder meer in: "Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, wijkt inhoudelijk niet af van de regeling zoals deze ingevolge het RVV 1966 gold. Wel is hier in plaats van het begrip hinderen gekozen voor de term "voor laten gaan". Het tweede lid is nieuw. In het aldaar beschreven geval blijken bestuurders die op een kruispunt naar links afslaan rechts afslaande bestuurders op dat kruispunt voor te laten gaan. Deze informele praktijk wordt thans juridisch ondersteund. (…).” Zowel de regeling van de voorrang als die van het afslaan houdt derhalve in dat de ene weggebruiker de andere weggebruiker in staat stelt om ongehinderd zijn weg te vervolgen.”
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Wij, verbalisanten, kwamen van de Nieuwlandseweg te Middelburg. Wij zagen dat voertuig van links kwam op de Kleverskerkseweg. Hier hadden wij voorrang. Wij zagen dat het voertuig geen vaart minderde. Wij zagen dat het voertuig had remde en stopte op het midden van het kruispunt. Wij moesten remmen om een ongeval te voorkomen.”
7. Het dossier bevat ook een aanvullend proces-verbaal waarin onder meer is verklaard:
“Wij zagen dat op dat moment een personenauto met het kenteken [kenteken] ons van links naderde op de Kleverskerkseweg. Wij zagen dat het zicht gezien vanuit deze personenauto vrij en onbelemmerd naar ons toe was. Wij zagen dat het voertuig zonder vaart te minderen het kruispunt naderde. Wij zagen dat voor het voertuig in het wegdek haaientanden, als bedoeld in artikel 1 en Pro artikel 80 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 waren aangebracht. Omdat onze wegen zouden kruisen en om een aanrijding te voorkomen, remde ik, verbalisant [naam1] , af. Wij zagen dat het voertuig met het kenteken [kenteken] kort voor het kruispunt hard moest remmen. Wij zagen dat de neus van het voertuig naar beneden ging door het remmen. Wij zagen dat het voertuig tot stilstand kwam met zijn voorwielen voorbij de aangebrachte haaientanden op het wegdek. Ik, verbalisant [naam1] , reed met een lage snelheid langs het voertuig omdat ik was geremd om een mogelijke aanrijding te voorkomen. Ik draaide hierop de politieauto om het voertuig stil te kunnen houden waarop ik de betrokkene [de betrokkene] mededeelde dat hij een proces-verbaal kreeg voor het niet verlenen van voorrang op de kruisende weg. Wij hoorden dat [de betrokkene] verklaarde: ‘het was een zeldzame vorm van kruispunt’. Het is ons, verbalisanten, bekend dat er een duidelijk verkeersbord B06, zoals bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, staat langs de weg waar het betrokken voertuig reed, alsmede de haaientanden op het wegdek duidelijk zichtbaar zijn. Omdat ik, verbalisant [naam1] , ons voertuig remde gezien zijn snelheid naar het kruispunt en wij, verbalisanten, zagen dat het voertuig voorbij de haaientanden tot stilstand kwam met de voorzijde van het voertuig, werd er geen voorrang verleend, zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (…) Wij, verbalisanten, zijn bekend met de verkeerssituatie op de Kleverskerkseweg te Middelburg. Wij lazen in het beroep van de betrokkene [de betrokkene] dat de verkeerssituatie niet duidelijk zou zijn omdat het eerst een voorrangsweg zou zijn en daarna niet meer. Dit is niet correct. De voorrangsweg buigt naar rechts af, richting de Nieuwlandseweg waar wij op reden. Dit is duidelijk aangegeven met het verkeersbord B1 met onderbord OB711, zoals bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.”
8. Eerder in de procedure zijn door de gemachtigde afdrukken van de situatie ter plaatse overgelegd. Op deze afdrukken is een bord B1 met onderbord OB711 te zien op enige afstand van het kruispunt. Gelet op het onderbord is afdoende duidelijk dat de rechter rijstrook als voorrangsweg afbuigt naar rechts. Het bord B1 met onderbord geldt niet voor de linker rijstrook waar de betrokkene reed. Verder op die rijstrook is een bord B6 geplaatst en bevinden zich haaientanden op de weg. De grond dat sprake is van een onduidelijke situatie wordt verworpen.
9. Voor de beoordeling of voorrang is verleend is niet relevant of doorgang mogelijk was. Het is daarom niet van belang waar de betrokkene precies is gestopt. Uit zowel de verklaring van de ambtenaar als de getuigenverklaring in het beroepschrift blijkt dat de ambtenaar is afgeremd. De snelheid waarmee de betrokkene het kruispunt naderde wekte bij de ambtenaar de indruk dat de betrokkene niet aan zijn voorrangsverplichting zou voldoen. Aldus kon de ambtenaar zijn weg niet ongehinderd vervolgen. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. De gronden treffen geen doel.
10. De kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal die beslissing bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.