Art. 6:11 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6, eerste lid Wahv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie wegens door rood licht rijden gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie waarin een sanctie van €240 werd opgelegd wegens het niet stoppen voor rood licht op 10 maart 2020 in Ede. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond omdat het te laat was ingediend. Het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege internationale postvertragingen door COVID-19 lockdowns.
Het hof vernietigt de beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter en verklaart het beroep gegrond. Vervolgens beoordeelt het hof de inhoud van de sanctie. De betrokkene gaf aan dat zij zich niet kon herinneren door rood licht te zijn gereden en verwees naar dringende omstandigheden vanwege de ziekte van haar moeder.
Foto’s van de overtreding tonen echter duidelijk dat het voertuig het rode licht passeerde terwijl het al 1,4 seconden rood was. Het hof oordeelt dat ondanks de omstandigheden de sanctie terecht is opgelegd, omdat de verkeersregels gelden ongeacht opzet of gevaarzetting. Wel stelt het hof vast dat de eerste verhoging van de sanctie ten onrechte is toegepast.
Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding, maar de sanctie wegens door rood licht rijden wordt bevestigd zonder de eerste verhoging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.290.844/01
CJIB-nummer
: 232831359
Uitspraak d.d.
: 16 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 1 december 2020, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika).
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie juist heeft beslist.
2. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd.
3. De inleidende beschikking is volgens het zaakoverzicht op 13 april 2020 aan de betrokkene toegestuurd. Daarvan uitgaande eindigde de beroepstermijn op 25 mei 2020. Het beroepschrift is gedateerd 3 juli 2020. Uit een stempel blijkt dat het op 7 juli 2020 door de officier van justitie is ontvangen.
4. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn start. Als dat aannemelijk is gemaakt en de geadresseerde heeft niet tijdig beroep ingesteld, dan kan aan de orde komen of de overschrijding van de beroepstermijn aan de geadresseerde kan worden toegerekend. Het is dan aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
5. Het CJIB verzorgt de verzending van de beslissing van de officier van justitie. In zijn arresten van 23 december 2009, ECLI: NL:GHLEE:2009:BP3020 en 26 augustus 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:6346 heeft het hof aangaande het aanmaak- en verzendproces van documenten door het CJIB (en de DUO) geoordeeld dat de kans op fouten nagenoeg is uitgesloten. Bij die stand van zaken mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat de inleidende beschikking daadwerkelijk is verstuurd. Het beroep is dan ook niet tijdig ingesteld.
6. Artikel 6:11 vanPro de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
7. De betrokkene voert aan dat als gevolg van corona-maatregelen en lockdowns er problemen met de postbezorging zijn geweest. Pas in de zomer van 2020 waren er weer internationale vluchten naar [woonplaats] . Hierdoor kon post uit Nederland haar niet eerder bereiken.
8. Naar het oordeel van het hof heeft de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat er op het moment van het bezorgen van de (aan het postbedrijf ter bezorging aangeboden) inleidende beschikking problemen waren met het postverkeer tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika als gevolg van de uitbraak van het coronavirus en de daaropvolgende lockdowns. De betrokkene heeft de ontvangst van de inleidende beschikking op niet ongeloofwaardige wijze betwist.
9. De termijnoverschrijding bij het instellen van het beroep tegen de inleidende beschikking is dan ook verschoonbaar. De officier van justitie heeft het beroep van de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en de kantonrechter heeft het hiertegen ingestelde beroep ten onrechte ongegrond verklaard. Het hof zal beide beslissingen vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
10. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 maart 2020 om 21.48 uur op de Dr. W. Dreeslaan, kruising Willy Brandtlaan in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
11. De betrokkene heeft in hoger beroep gesteld dat zij bereid is om het bedrag van de sanctie te betalen, als het hof tot het oordeel komt dat de sanctie terecht is opgelegd.
12. In administratief beroep heeft de betrokkene aangevoerd dat zij zich niet kan herinneren door een rood licht te zijn gereden. Zij was destijds op bezoek bij haar terminaal zieke moeder. Zij moest op dat moment dringend naar het ziekenhuis rijden om medicijnen te halen voor haar moeder die een ernstige allergische reactie had op haar medicatie. Vanwege het stressvolle karakter van die avond kan zij niet uitsluiten dat zij onopzettelijk een rood licht gemist heeft. Er waren dan ook verzachtende omstandigheden. Er was bovendien nauwelijks verkeer, zodat er geen gevaar voor anderen was.
13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: De overtreding is met roodlichtapparatuur geautomatiseerd met twee digitale foto’s vastgelegd.
Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 1,4 seconden.
Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.”
14. In het dossier bevinden zich twee foto's van de gedraging. Aangezien de gedraging ’s avonds heeft plaatsgevonden, zijn de foto’s donker. Wel is op beide foto's te zien dat het voor het voertuig van de betrokkene bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalt. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig zich voorbij de stopstreep bevindt en het verkeerslicht is gepasseerd. Uit de gegevens in de databalk onder de foto's blijkt dat het verkeerslicht 1,4 seconden rood licht uitstraalde op het moment dat de eerste foto werd gemaakt en 1,8 seconden op het moment dat de tweede foto werd gemaakt.”
15. Op basis van deze gegevens kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
16. Naar het oordeel van het hof is voor deze gedraging ook terecht een sanctie opgelegd. Het hof heeft er begrip voor dat de betrokkene zich vanwege de lichamelijke toestand van haar moeder spoedig naar het ziekenhuis wilde begeven, maar dit ontslaat haar niet van de verplichting om zich aan de geldende verkeersregels te houden en te stoppen voor een rood uitstralend verkeerslicht. Dat de betrokkene niet doelbewust de gedraging heeft begaan en de verkeersveiligheid niet in gevaar zou hebben gebracht, zijn geen omstandigheden die aanleiding geven om af te zien van het opleggen van de sanctie. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van een sanctie als de onderhavige heeft de regelgever niet afhankelijk gesteld van opzet of gevaarzetting.
17. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.
18. Nu het beroep tegen de inleidende beschikking moet worden geacht tijdig te zijn ingesteld, stelt het hof vast dat ten onrechte een eerste verhoging is toegepast.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
stelt vast dat de eerste verhoging van de sanctie ten onrechte is toegepast.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.