ECLI:NL:GHARL:2022:4075

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 mei 2022
Publicatiedatum
19 mei 2022
Zaaknummer
Wahv 200.292.422/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5.18.12 Regeling voertuigenArt. 5.18.13 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep rijden met uitstekende lading op aanhangwagen

De betrokkene werd bij beschikking beboet voor het rijden met een voertuig waarvan de lading aan de voorzijde uitstak, vastgesteld op 13 december 2019 in Maastricht. De betrokkene stelde dat de toegepaste feitcode onjuist was omdat de lading ondeelbaar was, terwijl de feitcode betrekking had op deelbare lading.

Het hof oordeelde dat het niet relevant is of de lading ondeelbaar is; de lading mag niet uitsteken aan de voorzijde van de aanhangwagen. De ambtenaar had discretionaire bevoegdheid om de feitcode te kiezen, zeker omdat het sanctiebedrag gelijk was voor beide feitcodes. De kantonrechter had het beroep terecht ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.292.422/01
CJIB-nummer
: 230559046
Uitspraak d.d.
: 19 mei 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 18 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om daarop te reageren.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “met voertuig of samenstel rijden terwijl lading voor (één van de) voertuig(en) uitsteekt” (feitcode P120aa). Deze gedraging zou zijn verricht op 13 december 2019 om 13:36 uur op de Wilhelminasingel in Maastricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de onderhavige sanctie is opgelegd voor de gedraging met feitcode P120aa, die ziet op een aan de voorzijde van het voertuig uitstekende in de lengte deelbare lading. Uit de foto’s van de gedraging blijkt echter dat in dit geval sprake was van een ondeelbare lading. Aldus is er een onjuiste feitcode toegepast.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de lading in de aanhanger uitstak boven het dak van het trekkend voertuig.”
5. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 13 april 2020, waarin de ambtenaar voor zover relevant het volgende verklaart:
“Op 13 februari 2019 omstreeks 13:35 uur zag ik dat het voertuig, voorzien van kenteken [kenteken] , mij tegemoet reed. Ik zag dat er een aanhangwagen werd voortgetrokken door het voertuig. Ik zag dat er lading uitstak aan de voorzijde van de aanhangwagen. Ik zag dat de lading zich zelfs boven het dak van het trekkend voertuig bevond. Ik zag dat de lading op een zodanige manier was aangebracht dat bij een draaibeweging van het trekkend voertuig, de lading aan de zijkant zou uitsteken. Ik maakte ter plaatse foto’s van de uitstekende lading.”
Als bijlage bij het proces-verbaal zijn twee foto’s gevoegd. Op deze foto’s is een personenauto met kenteken [kenteken] te zien met daarachter een aanhangwagen met daarop een lading die aan de voorzijde van de aanhangwagen uitsteekt tot boven het trekkend voertuig.
6. De onderhavige gedraging met feitcode P120aa betreft een overtreding van artikel 5.18.12 van de Regeling voertuigen (Rv). Hierin is in het eerste lid, onder d, bepaald dat bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen de lading niet voor het voertuig mag uitsteken.
7. In artikel 5.18.13 van de Rv wordt een aantal uitzondering gemaakt op de bepalingen genoemd in artikel 5.18.12 van de Rv. In het eerste lid, onder a, sub 5º van dat artikel is bepaald dat in afwijking van artikel 5.18.12, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading de lengte van de vervoerde lading meer mag bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12, eerste lid, is toegestaan, waarbij de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken. Overtreding van deze bepaling levert de gedraging met feitcode P130c op. Het bij deze gedraging behorende sanctiebedrag bedraagt eveneens € 140,-.
8. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat de lading op de aanhanger die door het voertuig van de betrokkene werd voortgetrokken aan de voorzijde van de aanhanger uitstak. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode P120aa is verricht.
9. Het hof is van oordeel dat in dit geval niet relevant is of al dan niet sprake is van een ondeelbare lading. Ook indien de lading ondeelbaar zou zijn, mag deze immers niet voor de voorzijde van de aanhangwagen uitsteken. De omstandigheid dat in dit geval mogelijk ook een sanctie had kunnen worden opgelegd voor de gedraging met feitcode P130c, maakt niet dat een onjuiste feitcode is toegepast. Wanneer een gedraging valt onder meerdere feitcodes, heeft een ambtenaar een discretionaire bevoegdheid om te kiezen welke feitcode hij gebruikt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het sanctiebedrag voor beide gedragingen hetzelfde is.
10. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.