De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Bekend is gemaakt
3. De betrokkene voert aan dat het voor hem niet mogelijk was om tijdig beroep in te stellen tegen de beslissing van de officier van justitie, omdat deze was geadresseerd aan een niet bestaand, en dus onjuist, adres. Pas na veel omzwervingen is de brief bij hem, de betrokkene, aangekomen. Echter, toen was de beroepstermijn reeds verstreken.
4. Het bepaalde in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb brengt mee dat eerst van bekendmaking op de voorgeschreven wijze sprake is, indien de mededeling naar het juiste adres – waarbij het door de betrokkene opgegeven adres leidend is – is verzonden.
5. Bij de stukken van het geding bevindt zich de beslissing van de officier van justitie. Hierop staat het adres [adres] , [plaats1] . Dit komt echter niet overeen met het adres dat de betrokkene in zijn beroepschrift had opgegeven. Dat luidt namelijk: [adres] , [plaats2] . Gelet hierop is de beslissing van de officier van justitie niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, zodat niet kan worden vastgesteld dat de onder 2. bedoelde termijn is aangevangen.
6. Het voorgaande brengt mee dat de kantonrechter het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
7. De officier van justitie heeft bij beslissing d.d. 16 september 2019 het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “Als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de reminrichting/onderdelen niet deugdelijk is/zijn”. Deze gedraging zou zijn verricht op 17 juni 2019 om 10:10 uur op de Europalaan in West-Terschelling met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De betrokkene voert onder meer aan dat na het vervangen van de remblokken een dag later bij de garage, bleek dat de vier remblokken beschikten over voldoende remvoering om te remmen. De betrokkene heeft ter onderbouwing hiervan een foto van de vier remblokken van de achteras overgelegd. De betrokkene is dan ook van mening dat de agenten een inschattingsfout hebben gemaakt. De betrokkene betwist dat hij bij de staandehouding heeft gezegd dat hij op de hoogte was van de gebreken. Ook merkt hij dat hij op enkele dagen eerder met het voertuig op een onverhard "terreinrijpark" was geweest, alwaar veel modder, zand en stenen waren. De krassen op de remschijf, die volgens de garage zijn waargenomen, moeten hierdoor zijn veroorzaakt. Verder wijst hij erop dat in het zaakoverzicht een verkeerde categorie is opgenomen. Het gaat hier niet om een brom- of snorfiets zoals in het zaakoverzicht staat vermeld in maar om een (bedrijfs)auto. De betrokkene ziet ook hierin aanleiding te twijfelen aan de kundigheid en de verklaring van de ambtenaar.
9. De gedraging betreft een overtreding van artikel 5.3.31 van de Regeling voertuigen (Rv). Hierin staan de permanente eisen voor een bedrijfsvoertuig met betrekking tot de remininrichting. Het negende lid van dit artikel luidt: "De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering.'
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. In dit zaakoverzicht is als verklaring van de ambtenaar opgenomen: “Gedragingsgegevens: Rem linksachter ijzer op ijzer. Apk keurmeester garage [naam1] .” Voorts is als verklaring van de betrokkene opgenomen: "Wist dat de rem ijzer op ijzer was. Heb al remblokken besteld. Komen vandaag of morgen binnen. Had echter vervoer nodig voor de kranten." Ook wordt melding gemaakt van een fotoblad. Op de foto in het dossier is een gegroefde remschijf te zien.
12. Het hof stelt vast dat de ambtenaar heeft verklaard dat tijdens het onderzoek van het voertuig van de betrokkene in de garage is vastgesteld dat bij de één van de remmen, linksachter, sprake was van "ijzer op ijzer". Dit duidt erop dat het remblok (de remvoering) van de rem linksachter zodanig was weggesleten dat de remschijf werd geraakt door de remklauw (de drager van het remblok). Op grond hiervan kan genoegzaam worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
13. De betrokkene heeft niets aangevoerd dat aanleiding geeft voor een ander oordeel. Dat de (overige) remblokken beschikten over voldoende remvoering om te remmen en dat het verblijf op ruw terrein mogelijk heeft geleid tot krassen op de remschijf, is niet relevant. Het gaat bij de onderhavige gedraging immers om (het weggesleten zijn van) het remblok en niet om het remvermogen van het voertuig of de conditie van de remschijf. Dat de betrokkene betwist dat hij bij de staandehouding heeft gezegd dat hij op de hoogte was van de gebreken, is evenmin relevant. Zijn verklaring wordt immers niet gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat in het zaakoverzicht een verkeerde categorie weggebruiker is opgenomen, kan aan de betrokkene worden toegegeven, maar dit is ook geen reden te twijfelen aan de bekwaamheid en de verklaring van de ambtenaar. Nog ervan afgezien dat de betrokkene niet heeft betwist dat het betreffende voertuig een bedrijfsauto is, blijkt dit ook uit de openbare voertuiggegevens in het kentekenregister van de RDW.
14. De bezwaren treffen geen doel. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie is ongegrond.