AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep en verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel wegens ontregelde postbezorging
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de kantonrechter en verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel opgelegd door de Minister voor Rechtsbescherming. Hoewel griffierecht niet was betaald en geen zekerheid was gesteld, oordeelde het hof dat de betrokkene niet behoorlijk was gewezen op zijn verplichtingen, waardoor het hoger beroep en verzet ontvankelijk zijn.
De betrokkene maakte aannemelijk dat hij de sanctiebeschikking niet had ontvangen vanwege ernstige problemen met de postbezorging op zijn adres. Correspondentie met PostNL en foto's van foutief bezorgde poststukken ondersteunden deze stelling. De Minister kon niet overtuigend aantonen dat de sanctiebeschikking en aanmaningen de betrokkene daadwerkelijk hadden bereikt.
Het hof overwoog dat een dwangbevel pas rechtsgeldig kan worden uitgevaardigd nadat de sanctiebeschikking onherroepelijk is geworden, hetgeen hier niet het geval was. De kantonrechter had het verzet ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet betalen van griffierecht. Het hof vernietigde de beschikking van de kantonrechter, verklaarde het verzet gegrond en stelde vast dat de verhogingen en het dwangbevel ten onrechte waren toegepast.
Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de beschikking van de kantonrechter en verklaart het verzet gegrond wegens niet-ontvangen sanctiebeschikking door ontregelde postbezorging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummers
: Wahv 200.295.814/01
CJIB-nummers
: 236063096
Uitspraak d.d.
: 24 mei 2022
Beschikkingop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank
Amsterdam van 27 mei 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 14 januari 2022 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Van de griffier van de rechtbank zijn op 17 januari 2022 diverse stukken ontvangen.
De Minister voor Rechtsbescherming heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
1. Gelet op artikel 26a, tweede en derde lid, van de Wahv is het hoger beroep tegen een beschikking als deze alleen ontvankelijk wanneer zekerheid is gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en na betaling van het verschuldigde griffierecht.
2. In de tussenbeschikking van 14 januari 2022 heeft het hof vastgesteld dat niet is gebleken dat de betrokkene behoorlijk is gewezen op zijn verplichtingen om in hoger beroep zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. De griffier van de rechtbank heeft niet voldaan aan het verzoek van het hof in de tussenbeschikking om de betrokkene alsnog behoorlijk te informeren.
3. Het moet ervoor worden gehouden dat de betrokkene in hoger beroep niet (behoorlijk) is gewezen op zijn verplichtingen om zekerheid te stellen en griffierecht te betalen. Gelet daarop kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene ten aanzien van deze verplichtingen in verzuim is geweest.
4. Tegen de beschikking van de kantonrechter kan binnen twee weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld. Uit het dossier blijkt dat de beschikking van de kantonrechter op 27 mei 2021 is verzonden. De hoger beroepstermijn eindigde dus op 10 juni 2021. Het hoger beroepschrift is ontvangen op 11 juni 2021.
5. Het hof hanteert in navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie ABRvS 17 augustus 2011, AB 2011, 259) als uitgangspunt dat een via PostNL verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de beroepstermijn is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd.
6. Nu het hoger beroepschrift op de eerste werkdag na de laatste dag van de beroepstermijn is ontvangen en niet aannemelijk is dat het na afloop van de termijn is gepost, is het hoger beroep tijdig ingesteld.
7. Het hoger beroep is ontvankelijk.
Ontvankelijkheid van het verzet
8. De kantonrechter heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht in de procedure bij de rechtbank niet is betaald.
9. De betrokkene heeft aangevoerd dat hij in de procedure bij de kantonrechter alleen een ontvangstbevestiging heeft ontvangen en niet een factuur voor het griffierecht.
10. In artikel 26 vanPro de Wahv is bepaald dat degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd, griffierecht is verschuldigd en dat de griffier van de rechtbank hem daarop wijst.
11. Het dossier bevat een brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 22 april 2021 en geadresseerd aan de betrokkene, waarin de ontvangst van het verzetschrift wordt bevestigd en de betrokkene erop wordt gewezen dat hij griffierecht is verschuldigd. In de brief wordt aangekondigd dat de betrokkene een nota zal ontvangen en dat het bedrag binnen de daarin vermelde termijn moet zijn bijgeschreven.
12. Het dossier bevat een nota voor het griffierecht, gedateerd 22 april 2021 en geadresseerd aan de betrokkene. Niet blijkt echter, aan de hand van een bewijs van verzending of een deugdelijke verzendadministratie, dat deze nota daadwerkelijk aan de betrokkene is verzonden. Gelet daarop is niet gebleken dat de betrokkene behoorlijk is gewezen op zijn verplichting om griffierecht te betalen in de procedure bij de kantonrechter. Dat brengt mee dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft het verzet ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
Beoordeling van het verzet
13. De betrokkene heeft verzet aangetekend tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel dat de Minister voor Rechtsbescherming op 5 maart 2021 heeft uitgevaardigd.
14. De betrokkene voert aan dat hij de sanctiebeschikking niet heeft ontvangen. Hij kan zich vinden in de opgelegde sanctie en is bereid die te betalen, maar is het niet eens met de opgelegde verhogingen en andere extra kosten. De betrokkene heeft al geruime tijd problemen met de postbezorging op zijn adres. Hij ontvangt met grote regelmaat poststukken die niet voor hem bestemd zijn en is bang dat post die wél voor hem is bestemd niet bij hem wordt afgeleverd. De betrokkene heeft correspondentie met PostNL uit 2018 en 2021 bijgevoegd waarin hij zijn beklag doet. Bij deze correspondentie is een groot aantal foto's van poststukken gevoegd die de betrokkene heeft ontvangen, maar die niet zijn geadresseerd aan het huisnummer van de betrokkene (33 A) maar aan huisnummers als 33, 33 hs, 33-1, 33-2 en 33-3. Een aantal stukken is wel aan het juiste huisnummer, maar een andere straat gericht. Op een deel van deze poststukken zijn data te zien, waaronder 26 oktober 2020 en 26 november 2020.
15. De Minister betoogt dat de sanctiebeschikking en de twee aanmaningen aan het juiste adres van de betrokkene zijn verzonden en niet als onbestelbaar retour zijn ontvangen. Volgens de Minister kan worden uitgesloten dat drie achtereenvolgens aan de betrokkene verzonden poststukken hem niet hebben bereikt. Dat poststukken de betrokkene niet hebben bereikt als gevolg van problematische postbezorging op zijn adres, komt voor risico van de betrokkene. Hij had maatregelen moeten treffen zodat de voor hem bestemde poststukken hem wel zouden bereiken, maar heeft dit kennelijk nagelaten. De Minister verwijst ter onderbouwing naar een arrest van het hof van 4 juni 2013, zaaknummer Wahv 200.123.498 (niet gepubliceerd).
16. Het hof overweegt het volgende. Een dwangbevel als bedoeld in artikel 26 vanPro de Wahv kan pas rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie (tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen) is opgelegd, onherroepelijk is geworden.
17. Wordt de ontvangst van de sanctiebeschikking betwist, dan moet aan de hand van artikel 26 vanPro de Wahv worden onderzocht of de sanctiebeschikking wel onherroepelijk is geworden. Dat is het geval wanneer blijkt dat de betrokkene de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel niet heeft ontvangen als gevolg van een hem toe te rekenen omstandigheid. Hoewel het aan de Minister is om aannemelijk te maken dat van één van deze situaties sprake is, mag van een betrokkene wel worden verwacht dat hij niet alleen ontkent dat hij de beschikking heeft ontvangen, maar die stelling ook met zoveel mogelijk gegevens onderbouwt.
18. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat een beslissing is verstuurd. Dat is van belang voor de vraag wanneer de beroepstermijn start. Als dat aannemelijk is gemaakt is het aan de geadresseerde om op een niet-ongeloofwaardige manier te betwisten dat de beslissing is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
19. Uit het dossier blijkt dat sanctiebeschikking op 11 september 2020 aan de betrokkene is toegestuurd. Het CJIB verzorgt de verzending. In het arrest van 26 augustus 2020 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:6346) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag op basis van het zaakoverzicht worden aangenomen dat deze beschikking daadwerkelijk is verstuurd.
20. De betrokkene heeft ontkend dat de beschikking is ontvangen en zijn stelling onderbouwd met uitgebreide correspondentie met PostNL die voorzien is van diverse bijlagen. In antwoord op beide klachten heeft PostNL erkend dat de postbezorging op het adres van de betrokkene problematisch is en beterschap beloofd. Uit de datering van de foutief bezorgde brieven blijkt dat ook in de periode dat de sanctiebeschikking en de aanmaningen werden verstuurd de postbezorging op het adres van de betrokkene was ontregeld. Op basis van deze stukken is door de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de sanctiebeschikking en de daaropvolgende aanmaningen niet heeft ontvangen. Het hof volgt niet het verweer van de Minister dat dit voor risico van de betrokkene komt. De situatie in het arrest waarnaar de Minister heeft verwezen, betrof een anti-kraakpand met verschillende bewoners waarin niet-adequate postverdeling plaatsvond, wat zich niet laat vergelijken met de woonsituatie van de betrokkene.
21. Nu de ontvangst van de sanctiebeschikking op niet-ongeloofwaardige wijze is betwist, is deze niet onherroepelijk geworden. Dat brengt mee dat de opgelegde verhogingen en het dwangbevel ten onrechte zijn uitgevaardigd. Ter informatie van de betrokkene merkt het hof op dat pas wanneer de sanctiebeschikking (alsnog) op behoorlijke wijze is bekendgemaakt de betalingstermijn en de termijn voor het instellen van beroep gaan lopen.
22. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de kantonrechter;
verklaart het verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel gegrond;
stelt vast dat de aan de betrokkene opgelegde eerste en tweede verhoging van de sanctie ten onrechte zijn toegepast.
Deze beschikking is gegeven door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.