ECLI:NL:GHARL:2022:4178

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 mei 2022
Publicatiedatum
24 mei 2022
Zaaknummer
21-000253-22
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten HaltReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijkheid vervolging jeugdige wegens toepassing Richtlijn Halt

In deze zaak stond het hoger beroep van het openbaar ministerie centraal tegen het vonnis van de kantonrechter die het OM niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging van een minderjarige verdachte die een verkeersovertreding beging waarbij ernstig letsel ontstond.

De advocaat-generaal stelde dat het OM terecht had besloten tot dagvaarding vanwege de ernst van het letsel, en dat van de Richtlijn Halt mocht worden afgeweken. De verdediging betoogde dat het ging om een licht delict en dat de Richtlijn strikt gevolgd moest worden, waarbij een gang naar de rechter uitgesloten moest worden.

Het hof oordeelde dat de overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een licht delict betreft, mede gelet op de leeftijd van de verdachte, zijn status als first offender en het ontbreken van achterliggende problematiek. Het hof vond de ernst van het letsel onvoldoende om van de Richtlijn af te wijken, mede omdat niet vaststaat dat het letsel uitsluitend door de gedraging van verdachte is veroorzaakt.

Daarom bevestigde het hof het vonnis van de kantonrechter en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.

Uitkomst: Het hof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging en bevestigt het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000253-22
Uitspraak d.d.: 10 mei 2022
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland (locatie Arnhem) van 14 januari 2022 met parketnummer 05-065789-21 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 mei 2022.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

De kantonrechter heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de kantonrechter het openbaar ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging. Als startpunt geldt dat het openbaar ministerie, gelet op het opportuniteitsbeginsel, in beginsel vrij is om een verdachte te vervolgen. Vervolgens dient gekeken te worden naar de richtlijnen die van toepassing zijn, in de onderhavige zaak is dat de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (hierna: de Richtlijn). Primair heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat er in deze zaak, gelet op de ernst van het letsel als gevolg van de verkeersovertreding, geen sprake is van een licht delict en dat er door het openbaar ministerie dus niet van de Richtlijn is afgeweken. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat er onder bijzondere omstandigheden van de Richtlijn mag worden afgeweken. De ernst van het letsel rechtvaardigt in deze zaak de keuze om af te wijken van de Richtlijn en verdachte te dagvaarden. Daarnaast kan op een zitting de benadeelde een vordering tot schadevergoeding indienen en kan ook de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte worden opgelegd. Dit laatste is bij een OM-afdoening niet mogelijk.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Op basis van de “nieuwe” Richtlijn die in werking is getreden op 1 december 2020 dient bij jeugdstrafzaken bij een “licht delict” begaan door een first offender een Halt-afdoening, een voorwaardelijk sepot of een OM-afdoening te volgen en een gang naar de rechter uitdrukkelijk te worden bespaard. De raadsman heeft aangevoerd dat zelfs al zou het slachtoffer door de overtreding ernstig letsel hebben opgelopen er nog steeds sprake is van een licht delict, omdat het ontstaan van het letsel in de tenlastelegging is geobjectiveerd van de gedraging van verdachte, doch is gekoppeld aan het ongeval (“waarbij letsel is ontstaan” in plaats van “waardoor letsel is ontstaan”). Op basis van het dossier was voor het openbaar ministerie bovendien op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing overduidelijk dat niet gesteld kan worden dat het letsel bij het slachtoffer is ontstaan door de verkeersovertreding begaan door verdachte en dat er dus nog altijd sprake is van een licht delict. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van het openbaar ministerie heeft de raadsman naar voren gebracht dat er in de onderhavige zaak geen goede redenen zijn om van de Richtlijn af te wijken.
Oordeel hof
Voor strafbare feiten gepleegd door minderjarigen hanteert het openbaar ministerie een vervolgingsbeleid dat is gebaseerd op de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt. Met de raadsman is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak gekeken dient te worden naar het vervolgingsbeleid dat is neergelegd in de Richtlijn die in werking is getreden op 1 december 2020. Hieruit volgt dat bij een jeugdige verdachte, die de eerste of tweede maal een licht delict begaat en waarbij geen signalen zijn van achterliggende problematiek, wordt volstaan met een Halt-afdoening, een voorwaardelijk sepot of een OM-afdoening.
Bij de bepaling of in de onderhavige zaak sprake is van een licht delict, heeft het hof gekeken naar de aard en de ernst van de ten laste gelegde gedraging. Naar het oordeel van het hof is de aan verdachte ten laste gelegde overtreding van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende dat hij geen voorrang heeft verleend, terwijl op het wegdek aan zijn kant haaientanden waren aangebracht, een licht delict. Gelet hierop en op de omstandigheden dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit minderjarig was, first offender is en niet is gebleken van achterliggende problematiek, betekent dit dat het openbaar ministerie op basis van de Richtlijn niet tot dagvaarden had mogen overgaan. Naar het oordeel van het hof is hetgeen door het openbaar ministerie bij appelschriftuur en ter zitting is aangevoerd omtrent de ernst van het letsel onvoldoende om een afwijking van de hoofdlijn van de Richtlijn te rechtvaardigen. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat er bij het slachtoffer weliswaar sprake is van ernstig letsel, maar dat niet vaststaat dat dit uitsluitend het gevolg is van de aan verdachte verweten gedraging. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging en zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis van de kantonrechter, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr. K.A.J.M. Wetzels en mr. A.H. Garos, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.G. Ruissaard, griffier,
en op 10 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.