Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde1] ,
[geïntimeerde1]
2.[geïntimeerde2] ,
hierna:
[geïntimeerde2]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de nalatenschap van een overleden vader, waarbij de zoon het testament van de vader uit 2006 nietig wil verklaren wegens vermeende wilsonbekwaamheid van de vader ten tijde van het testament. Tevens wil hij de gevolgen van een notariële verdelingsovereenkomst uit 2009 wijzigen, omdat hij onterfd is.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de vader niet wilsonbekwaam was en wees de vorderingen van de zoon af. In hoger beroep betoogt de zoon dat hij op grond van dwaling de verdelingsovereenkomst kan vernietigen omdat hij verkeerde aannames had over de geldigheid van het testament.
Het hof oordeelt dat de wettelijke uitsluiting van de dwalingsregeling bij verdelingsovereenkomsten ook geldt voor dwaling over de geldigheid van het testament, niet alleen over de waarde van goederen. Daarnaast is het beroep op dwaling niet toewijsbaar omdat twijfel niet gelijkstaat aan dwaling en de zoon de overeenkomst heeft ondertekend ondanks zijn vermoedens.
Het hof stelt verder dat het nietig verklaren van het testament geen vermogensrechtelijke gevolgen heeft en dat de emotionele belangen van de zoon onvoldoende zijn voor een oordeel over wilsonbekwaamheid. Het door de zoon overgelegde rapport van prof. Scheltens is onvoldoende onderbouwd.
De grieven van de zoon worden verworpen en het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Iedere partij draagt de eigen kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het beroep van de zoon af wegens onvoldoende bewijs van wilsonbekwaamheid en uitsluiting van dwaling bij verdelingsovereenkomst.