Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van verzoekster tegen een beschikking van de rechtbank die haar veroordeelde tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van €150,- aan verweerder. Verweerder was opgenomen onder een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Tijdens de opname ontstond een conflict over verlof, waarbij verweerder op 11 november 2020 geen verlof kreeg om te verhuizen, hetgeen leidde tot een klacht over het niet schriftelijk vastleggen van de beslissing tot vrijheidsbeperking.
De rechtbank had de klacht gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend zonder dat een causaal verband tussen de normschending en de schade vereist was. Verzoekster ging hiertegen in hoger beroep en stelde dat verweerder bekend was met de inhoud van de zorgmachtiging en dat de normschending geen verandering in zijn rechtspositie had veroorzaakt.
Het hof oordeelde dat de kern van de klacht niet lag in het niet op schrift stellen van de maatregel, maar in de gehele opname en de uitvoering daarvan. Verweerder was op de hoogte van de zorgmachtiging en de beperkingen die daaruit voortvloeiden. Het niet schriftelijk vastleggen leidde niet automatisch tot een aanspraak op schadevergoeding. Daarom vernietigde het hof de bestreden beschikking voor zover het de schadevergoeding betrof en wees het verzoek tot vergoeding af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot immateriële schadevergoeding af en vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de schadevergoeding betreft.