Belanghebbende was het niet eens met de aanslagen inkomstenbelasting en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) over 2018, waarbij belastingrente was berekend. Na bezwaar wees de Inspecteur de aanslagen en rentebeschikkingen ongewijzigd toe. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. Hiertegen stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 24 februari 2022 werd het geschil besproken. Het centrale punt was of de Inspecteur belastingrente mag heffen. Belanghebbende voerde aan dat de Staat geen rente mag rekenen en dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat de Staat in andere schuldverhoudingen geen rente rekent. Het hof oordeelde dat het in rekening brengen van belastingrente niet in strijd is met enige rechtsregel en dat verschillen in behandeling gerechtvaardigd zijn door maatschappelijke en wettelijke overwegingen.
Het hof benadrukte dat ook banken belastingrente betalen en dat renteloze leningen aan bepaalde personen niet leiden tot schending van het gelijkheidsbeginsel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.