In deze zaak staat de vaststelling van kinderalimentatie, partneralimentatie en de zorgregeling na echtscheiding centraal. Het hof vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Midden-Nederland en wijzigt de zorgregeling voor een van de minderjarige kinderen, waarbij geen zorgregeling tussen vader en deze minderjarige wordt vastgesteld, en contact in onderling overleg wordt geregeld.
De kinderalimentatie wordt vastgesteld op een lager bedrag dan door de rechtbank bepaald, waarbij het hof rekening houdt met de werkelijke woonlasten van de man, die duurzaam lager zijn dan de forfaitaire woonlasten. De draagkracht van de man wordt daardoor hoger ingeschat, wat leidt tot een lagere alimentatieverplichting. De partneralimentatie wordt afgewezen omdat de man geen draagkracht meer heeft nadat de kinderalimentatie is vastgesteld.
De ingangsdatum van de kinderalimentatie wordt gehandhaafd op 1 juni 2021, de datum van de bestreden beschikking. Het hof oordeelt dat de vrouw niet kan worden verplicht tot terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie. De zorgkorting wordt toegepast voor de kinderen die bij de man verblijven, met uitzondering van de minderjarige die geen contact meer wenst. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat gedetailleerde draagkrachtberekeningen die aan het vonnis zijn gehecht.