De ouders zijn langdurig verwikkeld in een procedure over het gezag en de zorgregeling van hun twee minderjarige kinderen, die sinds 2016 onder toezicht staan van een gecertificeerde instelling. Het hof constateert dat de communicatie en verstandhouding tussen de ouders zodanig slecht zijn dat gezamenlijk gezag niet uitvoerbaar is en dat dit nadelig is voor de kinderen. Daarom wordt het verzoek van de moeder toegewezen om het eenhoofdig gezag aan haar toe te wijzen.
Ten aanzien van de omgangsregeling stelt het hof vast dat de huidige regeling, waarbij de vader eenmaal per maand vier uur onder begeleiding omgang heeft met de kinderen en een extra keer per maand met de jongste, gehandhaafd blijft. Uit het dossier blijkt dat de oudste dochter zich verzet tegen contact met de vader vanwege gevoelens van onveiligheid, terwijl de jongste wel contact kan hebben. Het hof benadrukt dat de omgangsregeling zorgvuldig moet worden opgebouwd, met begeleiding door een onafhankelijke organisatie en dat de gecertificeerde instelling verantwoordelijk is voor de uitvoering en eventuele uitbreiding.
Het hof bepaalt dat de omgangsregeling met de jongste binnen zes maanden wordt uitgebreid naar onbegeleid contact van één dag per maand, mits dit de draagkracht van het kind niet te boven gaat. Voor de oudste is een voorzichtige opbouw noodzakelijk. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof spreekt de nieuwe regeling uit.