ECLI:NL:GHARL:2022:4517

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2022
Publicatiedatum
2 juni 2022
Zaaknummer
200.308.256
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige kinderen na ernstige zorgen

In deze zaak staat de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen centraal, die sinds november 2021 onder toezicht van de gecertificeerde instelling (GI) staan. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van de rechtbank die de uithuisplaatsing heeft toegestaan.

Het hof heeft de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing inhoudelijk beoordeeld, omdat de uithuisplaatsing daadwerkelijk is uitgevoerd en daarmee een inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven van de moeder en kinderen heeft gemaakt. De kinderen zijn uit huis geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun verzorging en opvoeding, waaronder verwaarlozing, angst en spanningen bij de kinderen, en het niet beschikbaar zijn van de moeder.

De GI heeft ambulante spoedhulp ingezet, maar deze bleek onvoldoende. De moeder heeft onvoldoende meegewerkt aan hulpverlening, waaronder een intensief traject voor opvoedingsondersteuning in een 24-uurssetting. Het hof concludeert dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is en dat de duur ervan niet verkort hoeft te worden. De beschikking van de rechtbank wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.308.256
(zaaknummer rechtbank Overijssel 274547)
beschikking van 2 juni 2022
in het hoger beroep van:
[verzoekster],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool in Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.Onderwerp

Het gaat in deze zaak om de machtiging uithuisplaatsing van:
  • [de minderjarige1] , geboren [in] 2011, verder te noemen: [de minderjarige1] , en,
  • [de minderjarige2] , geboren [in] 2014.

2.Belangrijke informatie

2.1
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn geboren tijdens de relatie van de moeder met hun vader: [de vader] . De vader heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over hen.
2.2
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 4 november 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling geldt tot 4 november 2022.
2.3
Op 8 december 2021 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met een spoedmachtiging uithuisgeplaatst.
2.4.
Op 1 maart 2022 is [de minderjarige1] , op basis van een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing, in een gezinshuis geplaatst.

3.De beslissing van de kinderrechter

Op 9 december 2021 heeft de GI de kinderrechter verzocht om voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. In de bestreden beschikking van 17 december 2021 heeft de kinderrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, een machtiging uithuisplaatsing voor beide kinderen verleend in een voorziening voor pleegzorg van 22 december 2021 tot 4 november 2022.

4.Het hoger beroep

De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof primair om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen en subsidiair om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI voor een kortere duur toe te wijzen.

5.De rechtszaak bij het hof

5.1
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, binnengekomen op 16 maart 2022, met bijlagen, en
  • het verweerschrift met bijlagen.
5.2
De zitting bij het hof was op 29 april 2021. Aanwezig waren:
  • de moeder met haar advocaat, en
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

6.De redenen voor de beslissing

Rechtmatigheidstoets
6.1
[de minderjarige1] verblijft inmiddels in een gezinshuis op grond van een machtiging uithuisplaatsing van 1 maart 2022. De machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige1] uit de bestreden beschikking is daardoor achterhaald, in die zin dat de periode waarvoor de machtiging was verleend, is verstreken.
6.2
Het hof is van oordeel dat het passend is om een rechtmatigheidstoets uit te voeren. De machtiging uithuisplaatsing uit de bestreden beschikking is namelijk wel ten uitvoer gelegd (tot 18 februari 2022). Daarmee is inbreuk gemaakt op het recht op privé- en gezinsleven van de moeder en de kinderen. De moeder heeft er belang bij dat beoordeeld wordt of die inbreuk terecht is geweest.
6.3
Het hof zal daarom de machtiging uithuisplaatsing uit de bestreden beschikking voor beide kinderen inhoudelijk beoordelen.
Machtiging uithuisplaatsing
6.4
De kinderrechter kan een kind uit huis plaatsen als dit voor de verzorging en opvoeding van dat kind noodzakelijk is (artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek).
6.5
Het hof vindt net als de kinderrechter dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is voor hun verzorging en opvoeding en dat die ook niet in duur moet worden verkort. Het hof neemt de overwegingen van de kinderrechter over en voegt daar nog het volgende aan toe.
6.6
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn uithuisgeplaatst nadat de GI in de eerste maand van de ondertoezichtstelling zeer ernstige zorgen over hen kreeg. De GI kreeg berichten dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet op school waren en dat de moeder regelmatig vergat hen op te halen van school. Vanwege de grote zorgen heeft de GI ambulante spoedhulp (ASH) van [naam1] ingezet voor 96 uur in een periode van vier weken. In die periode werden de zorgen over de kinderen vervolgens alleen maar groter. Na een paar weken heeft [naam1] geconcludeerd dat ambulante hulpverlening niet voldoende was om de veiligheid van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te waarborgen.
6.7
Na de uithuisplaatsing zijn nog meer zorgen over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan het licht gekomen. De kinderen zijn in de tijd dat zij bij de moeder woonden verwaarloosd op het gebied van lichamelijke zorg, en beiden hebben een erg slecht gebit. [de minderjarige1] ervaart veel spanningen en angst. Daar heeft zij last van op lichamelijk en emotioneel vlak. [de minderjarige2] is gespannen voor nieuwe situaties en lijkt veel te liegen. Daarnaast hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , onafhankelijk van elkaar, zorgelijke uitspraken gedaan. De kinderen hebben verteld dat zij zich thuis onveilig voelden en dat de moeder vaak niet beschikbaar was voor hen. Overdag sliep de moeder vaak, terwijl de kinderen thuis waren en ’s nachts was de moeder regelmatig weg als de kinderen in bed lagen.
6.8
Het hof is van oordeel dat de moeder wel degelijk een kans heeft gekregen om de uithuisplaatsing te voorkomen, nadat de ondertoezichtstelling op 4 november 2021 was uitgesproken. Gedurende de inzet van ASH kon de moeder haar opvoedvaardigheden laten zien, maar [naam1] kwam moeilijk in contact met de moeder en in de evaluatie van [naam1] is te lezen dat een aantal huisbezoeken niet goed is verlopen. De moeder bedreigde de hulpverleners en heeft gezegd dat zij niet wilde meewerken. In combinatie met de zorgen over de kinderen heeft dat ertoe geleid dat een uithuisplaatsing noodzakelijk was.
De hierboven beschreven zorgen bestaan nog steeds. De GI heeft nog geen hulpverlening in kunnen zetten om de zorgen weg te nemen.
6.9
[naam1] heeft geadviseerd om voor de moeder een intensieve vorm van opvoedondersteuning in te zetten. De GI heeft bepaald dat een opname van de moeder en de kinderen bij [naam2] ( [naam2] ) het meest passend is, zoals door [naam1] geadviseerd. De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat dit traject in januari 2022 had kunnen starten, maar de moeder heeft geweigerd om daaraan mee te werken. Tijdens de mondelinge behandeld heeft de moeder dat bevestigd. Zij vindt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] terug naar huis moeten komen en dat hulpverlening ingezet moet worden in de thuissituatie. Het hof stelt vast dat de zorgen over de kinderen juist zijn ontstaan in de periode dat zij bij de moeder thuis woonden. Bovendien heeft [naam1] al geconcludeerd dat ambulante hulpverlening niet voldoende is om de veiligheid van de kinderen te garanderen. Het ligt daarom op de weg van de moeder om – hoe moeilijk zij dat ook vindt – mee te werken aan een traject van opvoedingsondersteuning in een 24-uurssetting.
6.1
Kortom, het hof vindt dat de kinderrechter een terechte beslissing heeft genomen. Het hof zal die beslissing daarom bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 17 december 2021;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, J.B. de Groot en H. Phaff, in samenwerking met mr. L.M. de Wit, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2022.