De zaak betreft een geschil tussen ouders over de terugverhuizing van de moeder met de minderjarige kinderen naar de Achterhoek en de zorg- en contactregeling. De rechtbank had bepaald dat de moeder uiterlijk 8 mei 2022 met de kinderen moest terugverhuizen naar een woning binnen 30 autominuten van de vader, en dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder bleef. De moeder verzocht het hof om schorsing van deze beslissing, stellende dat de kinderen en zij geworteld zijn in hun huidige woonplaats en dat verhuizing schadelijk zou zijn.
De vader verzocht het hof om voorlopige voorzieningen te treffen, waaronder een dwangsom voor het niet terugverhuizen en een aangepaste zorgregeling zolang de terugverhuizing uitblijft. Tijdens de mondelinge behandeling werden ook vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming gehoord.
Het hof oordeelde dat de belangen van de vader en kinderen bij uitvoering van de beschikking zwaarder wegen dan het belang van de moeder bij schorsing, mede omdat de moeder onvoldoende onderbouwde waarom zij geen geschikte woonruimte in de Achterhoek kan vinden. De moeder kreeg tot 16 juli 2022 de tijd om terug te verhuizen zonder dwangsom, daarna geldt een dwangsom van €50 per dag tot maximaal €10.000. Tevens werd een voorlopige regeling getroffen voor het halen en brengen van de kinderen in het kader van de zorg- en contactregeling.