De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 september 2019 om 12:17 uur op de Hofstraat in Thorn met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat hij werkzaam is bij het Waterschap [naam1] in de functie van [functie] en dat hij uit dien hoofde beschikt over een ontheffing van het verbod om zijn voertuig ter plaatse voor zijn woning te parkeren. Hij gebruikt zijn voertuig voor het vervoer van monstername-apparatuur en monstermaterialen. Op het moment dat hij de auto voor privégebruik wil aanwenden, is hij genoodzaakt om de betreffende apparatuur en monstermaterialen uit de auto te halen en deze tijdelijk in de garage en kelder van zijn woning te stallen. Ten tijde van het vaststellen van de gedraging was dit het geval, aldus de betrokkene. De betrokkene wijst er daarnaast op dat hij reeds 23 jaar op genoemd adres woonachtig is en dat de kantonrechter bij beslissingen van 17 oktober 2002 en 4 september 2003 hem na oplegging van een sanctie voor dezelfde gedragingen in het gelijk heeft gesteld. Hetzelfde geldt voor de officier van justitie. Die heeft bij beslissing van 7 juli 2005 zijn beroep na vaststelling van dezelfde gedraging gegrond verklaard en bij beslissing van 6 maart 2009 een dergelijke beschikking vernietigd. Tot slot wijst hij er op dat hij tijdens het constateren van de gedraging, zoals de ontheffing voorschrijft, in de nabijheid van zijn woning was. Hij was namelijk in zijn woning en dat is op een afstand van ten hoogste 12 meter van het voertuig. De ambtenaar had dus even de moeite kunnen nemen om aan te bellen om nader onderzoek te doen naar de achter de ruit aanwezige ontheffing, aldus de betrokkene.
3. Niet in het geding is dat het voertuig van de betrokkene op de onder 1. omschreven datum en tijd op bedoelde locatie stond geparkeerd en dat ter plaatse een bord E1 als bedoeld in bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) was geplaatst.
4. Bij de stukken bevindt zich een beschikking d.d. 11 april 2017, afgegeven namens Waterschap [naam1] , ten behoeve van de kentekenhouder: [kenteken] en geldig tot 31 maart 2021. Hieruit blijkt dat de Minister van Infrastructuur en Milieu besluit - voor zover hier van belang - aan het Waterschap [naam1] ten behoeve van de eigen en tijdelijke medewerkers, voor de uitvoering van openbare nutstaken, voor alle wegen in het inzetgebied, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 62, voor zover het betreft de verkeerstekens op de borden: C1, C2, C4, C6, C7, C8, C9, C10, C12, C16, C17, C18, C19; D2, D4, D5, D6, D7; E1, E2, E7, E8; ES5, ES7; F7; G7, G9, G11, G12a, G13; L14.
5. Aan voornoemde vrijstelling is een aantal voorschriften en een beperking verbonden. De hier relevante beperking luidt als volgt:
Van de beschikking mag alleen gebruik worden gemaakt voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd.
De betrokken medewerker kan dus in de nabijheid van het voertuig uitleg geven aan toezichthouders.”
6. De stelling van de betrokkene dat hij zijn voertuig ter plaatse mocht parkeren op grond van de hiervoor weergegeven door zijn werkgever aan hem verstrekte beschikking gaat niet op. Het met het oog op privégebruik van het voertuig van de betrokkene uitladen van monstername-apparatuur en monstermaterialen om dit tijdelijk in de garage en kelder van zijn woning te stallen, kan niet worden gekwalificeerd als werkzaamheden die noodzakelijk zijn voor de onmiddellijke uitvoering van openbare nutstaken. De omstandigheid dat de betrokkene in de nabijheid van zijn voertuig was, namelijk in zijn woning, om uitleg te kunnen geven aan toezichthouders doet hieraan niet af. De opvatting van de betrokkene dat de ambtenaar bij de woning van de betrokkene had moeten aanbellen en nader onderzoek had moeten doen naar de reikwijdte van de beschikking vindt geen steun in het recht. Het ligt op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat de door hem verrichte werkzaamheden onder de verleende vrijstelling vallen. Daarin is de betrokkene niet geslaagd.
7. Dat kantonrechters in eerdere zaken hebben besloten de inleidende beschikking, waarbij een administratieve sanctie was opgelegd, te vernietigen dan wel de officier van justitie eerder naar aanleiding van twee ingestelde beroepen, het beroep van de betrokkene gegrond heeft verklaard dan wel de inleidende beschikking heeft vernietigd, brengt op zichzelf niet mee dat dit ook in deze zaak dient te gebeuren. Het hof is - net als de kantonrechter - niet gebonden aan een (andersluidende) uitspraak van een kantonrechter dan wel een beslissing van de officier van justitie. Dat de officier van justitie de betrokkene in het verleden in het gelijk heeft gesteld brengt evenmin mee dat de officier van justitie dat in deze zaak, waarin er geen reden is om de betrokkene in het gelijk te stellen, ook had moeten doen.
8. Het voorgaande betekent dat de kantonrechter juist heeft beslist door het beroep ongegrond te verklaren.