Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter waarin een mentorschap is ingesteld ten behoeve van een geestelijk kwetsbare vrouw geboren in 1926, die sinds 2017 in een verzorgingstehuis woont. De kantonrechter had [verweerster] benoemd tot mentor, wat door [verzoekster] werd bestreden.
Het hof oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is, ondanks discussie over tijdigheid en kennisgeving van de beschikking. De betrokkene is vanwege haar dementie en gezondheidstoestand niet in staat gehoord te worden en het hof ziet geen noodzaak haar alsnog te horen.
De kern van het geschil is wie als mentor moet worden benoemd. Het hof volgt de wettelijke voorkeursregeling en benoemt een kind als mentor, ondanks verstoorde familierelaties. Er is onvoldoende bewijs dat deze verhoudingen de betrokkene schaden of dat een professionele mentor noodzakelijk is.
Het hof constateert dat [verweerster] haar taken naar behoren vervult en dat de zorg voor de betrokkene adequaat is. Gezien de laatste levensfase van de betrokkene acht het hof het niet in haar belang om een onbekende mentor te benoemen. De bestreden beschikking wordt daarom bekrachtigd en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot benoeming van [verweerster] als mentor en wijst het beroep van [verzoekster] af.