Verzoekster en verweerder, voormalige echtgenoten, zijn in geschil over de waardering van aandelen in Porto Bello B.V. in het kader van hun echtscheidingsconvenant van 14 augustus 2018. Verzoekster stelt dat zij door dwaling over de waarde van deze aandelen meer dan een kwart is benadeeld en vordert een compensatiebedrag van €724.076,- plus wettelijke rente. De rechtbank Gelderland wees deze vordering af, stellende dat het artikel over de waardering een vaststellingsovereenkomst betreft en verzoekster onvoldoende aannemelijk maakte dat zij daaraan niet gehouden kon worden.
In hoger beroep verzocht verzoekster om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten om haar stellingen nader te onderbouwen en bewijsmiddelen veilig te stellen. Zij wilde zeven getuigen horen, waaronder verweerder en enkele zakenrelaties, over onder meer de waardering van de aandelen, de informatievoorziening aan de KNMvD, en de verkoopintenties van de dierenartspraktijk.
Verweerder voerde verweer met onder meer het betoog dat het verzoek misbruik van bevoegdheid is, geen belang heeft en strijdig is met de goede procesorde. Het hof overwoog dat het verzoek in het stadium van de hoofdzaak, die niet voor mondelinge behandeling is geselecteerd en spoedig inhoudelijk zal worden beslist, een onaanvaardbare doorkruising van de hoofdzaak vormt. Verzoekster had onvoldoende concreet gemaakt waarom het voorlopig getuigenverhoor nu noodzakelijk is en waarom het hof niet eerst in de hoofdzaak een bewijsopdracht zou kunnen geven.
Het hof wees het verzoek daarom af en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. De beschikking werd gegeven door de drie rechters en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022.