ECLI:NL:GHARL:2022:4756

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juni 2022
Publicatiedatum
9 juni 2022
Zaaknummer
200.309.704
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:255 BWArt. 1:260 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen deels bekrachtigd en deels vernietigd

De moeder van drie minderjarige kinderen was in eerste aanleg geconfronteerd met een ondertoezichtstelling die door de kinderrechter was verlengd tot 9 januari 2023. De moeder ging in hoger beroep tegen deze verlenging en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) af te wijzen.

Het hof heeft het verloop van de procedure en de feiten onderzocht, waaronder de betrokkenheid van een deskundige die de opvoedvaardigheden van de moeder had beoordeeld. Uit het eindverslag van 22 april 2022 bleek dat de opvoedomgeving voldoende veilig was en dat er positieve interactie was tussen de moeder en de kinderen.

Het hof oordeelde dat vanaf het moment van dit rapport geen sprake meer was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging die een ondertoezichtstelling rechtvaardigde. Hoewel de GI nog plannen had voor verdere hulpverlening en contact tussen een kind en zijn vader, vond het hof dit onvoldoende grond om de ondertoezichtstelling te verlengen.

Daarom heeft het hof de verlenging van de ondertoezichtstelling bekrachtigd tot 22 april 2022 en vernietigd voor de periode daarna, waarbij het verzoek van de GI voor verlenging na die datum is afgewezen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de drie minderjarige kinderen is verlengd tot 22 april 2022 en daarna beëindigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.309.704
(zaaknummer rechtbank Gelderland 397344)
beschikking van 9 juni 2022
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. de Jonge (eerder N.F.G. de Witte te Apeldoorn),
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 april 2022;
- het verweerschrift.
2.2
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 2 juni 2022 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI waren twee vertegenwoordigers aanwezig. De raad is met kennisgeving vooraf niet verschenen.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft drie kinderen die bij haar wonen:
- [de minderjarige1] (verder: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2008 te [woonplaats1] ;
  • [de minderjarige2] (verder: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2013 te [woonplaats1] , en
  • [de minderjarige3] (verder: [de minderjarige3] ), geboren [in] 2020 te [woonplaats1] .
[de vader] (verder: de man) is de biologische vader van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Hij heeft de kinderen niet erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over de kinderen.
3.2
Bij de, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, beschikking van 9 augustus 2021 van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland (locatie Zutphen) zijn [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met ingang van 9 augustus 2021 tot 9 februari 2022 onder toezicht van de GI gesteld.
3.3
Bij beschikking van dit hof van 8 februari 2022 is voornoemde beschikking bekrachtigd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] verlengd met een jaar, tot 9 januari 2023.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI af te wijzen.
4.3
De GI voert verweer en zij verzoekt primair de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van 3 maanden, ingaande, zo is ter zitting toegelicht, de datum van de beschikking van het hof, dan wel - naar het hof begrijpt - een beslissing te nemen die het hof juist acht.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
De GI heeft in eerste aanleg om verlenging van de ondertoezichtstelling verzocht omdat er tegen het einde van de lopende ondertoezichtstelling (die aanvankelijk was verleend tot 9 februari 2022) onvoldoende zicht was op de opvoedomgeving en opvoedvaardigheden van de moeder. Inmiddels is [naam1] bij het gezin betrokken geweest om de opvoedvaardigheden van de moeder inzichtelijk te maken. Op 22 april 2022 is het eindverslag van [naam1] afgerond. In het verslag staat, kort samengevat, dat positieve interactie is te zien tussen de moeder en de kinderen en dat de moeder aansluit op een bij hen passende manier voor wat betreft het uitleggen van regels en grenzen. Uit dit eindverslag blijkt dat na inzet van [naam1] duidelijk is geworden dat de opvoedomgeving die door moeder wordt geboden, voldoende veilig is.
5.3
Gelet op de bevindingen van [naam1] is het hof van oordeel dat - in ieder geval vanaf het moment dat [naam1] die bevindingen heeft gerapporteerd - niet kan worden gezegd dat nog sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.
Voor zover de GI aanvoert dat zij de komende maanden nog een plan wil opstellen om te komen tot contact tussen [de minderjarige1] en zijn vader en voor het aanwijzen van een contactpersoon bij de gemeente, acht het hof deze voornemens onvoldoende grond om het voortduren van de ondertoezichtstelling te rechtvaardigen.
Aangezien de ernstige ontwikkelingsbedreiging in ieder geval sinds 22 april 2022 is afgewend, waarbij het ook zo is dat de moeder hulpverlening voor de nog bestaande zorgen aanvaardt, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen tot 22 april 2022 en vernietigen met ingang van 22 april 2022.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2022, voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zich uitstrekt over de periode tot
22 april 2022;
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 20 januari 2022 voor zover de daarin uitgesproken verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zich uitstrekt over de periode vanaf
22 april 2022 en, opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af voor zover dat verzoek betrekking heeft op de periode vanaf 22 april 2022.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer, L. Hamer, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 9 juni 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.