ECLI:NL:GHARL:2022:4780

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juni 2022
Publicatiedatum
13 juni 2022
Zaaknummer
Wahv 200.293.742
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5.2.48 Regeling voertuigenArt. 5.18.7 Regeling voertuigenArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor ondeugdelijk bevestigde lading op voertuig

De betrokkene werd bij inleidende beschikking gesanctioneerd met een boete van €240,- wegens het rijden met een voertuig met niet afgeschermde uitstekende delen, feitcode N 480b. Dit betrof een situatie op 27 juni 2019 waarbij lading op het dak van een voertuig was bevestigd. De betrokkene voerde aan dat de lading, bestaande uit masten, kundig en stevig was vastgezet en geen aanzienlijk gevaar vormde.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het gerechtshof oordeelde anders. Het hof stelde vast dat de feitcode N 480b niet van toepassing was omdat deze betrekking heeft op uitstekende delen van het voertuig zelf, terwijl hier de lading het onderwerp was. De advocaat-generaal stelde voor de feitcode te wijzigen naar P 070j, die ziet op ondeugdelijk bevestigde goederen op een lastdrager.

Het hof vond de argumenten van de betrokkene onvoldoende om te twijfelen aan de constatering van de ambtenaar dat de lading niet deugdelijk was bevestigd, mede omdat speling op de bevestiging aanwezig was. Het hof wijzigde daarom de feitcode en verlaagde de sanctie naar €140,-. Klachten over machtsmisbruik door de ambtenaar werden buiten beschouwing gelaten. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitkomst: De sanctie is gewijzigd naar feitcode P 070j met een boete van €140,- en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.293.742/01
CJIB-nummer
: 226690774
Uitspraak d.d.
: 13 juni 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor feitcode N 480b: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het voertuig niet afgeschermde uitstekende delen heeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 juni 2019 om 11:26 uur op het Mevlanaplein in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat de lading een stomp rondhout betreft en geen aanzienlijk groot gevaar vormt. De kantonrechter overweegt ten onrechte dat de gaffel 43 cm uitstak. Dit betreft het uitsteken aan de voor- en achterzijde samengevoegd. Dit valt binnen de normen voor het vervoer van ondeelbare lading. De lading was kundig en stevig door ervaren zeilers met touwen en spanbanden vastgezet op een degelijk imperiaal en had onmogelijk los kunnen raken. Bij het vastzetten van masten wordt gebruik gemaakt van de mastworp met voorslag, gecombineerd met een dubbele marlsteek. De banden gaan daarbij kruislings tussen de gaffels en giek door en fixeren deze ieder afzonderlijk. Als extra beveiliging worden de banden ook nog vastgezet aan het beslag op de gaffels en giek afzonderlijk. De motoragent is er in geslaagd om de lading enigszins van links naar rechts te bewegen over het imperiaal door met zijn volle gewicht aan het uiteinde van de gaffel te hangen. Van voor naar achter kon hij er geen beweging in krijgen, aangezien deze bewegingsvrijheid gefixeerd was. Er zou onmogelijk een mast kunnen doorschieten. Het vertrouwen van de betrokkene in de overheid is beschadigd en de betrokkene voelt zich slachtoffer van de willekeur van een motoragent.
De betrokkene verzoekt om een sanctie op te leggen aan de provocatieve motoragent die zijn agenten in opleiding een voorbeeld liet zien van machtsmisbruik.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Op 27 juni 2019, omstreeks 11:26 uur, zag ik dat een voertuig de controleplaats binnenreed van de algehele verkeerscontrole op het Mevlanaplein in Rotterdam, voorzien van het kenteken [kenteken] . Ik zag dat er op het dak van het voertuig drie grote balken waren bevestigd. Ik zag dat het één dikke en twee dunnere balken betrof. Ik hoorde dat de bestuurster tegen mij verklaarde dat het masten waren van een boot. Ik zag dat de masten aan de voorzijde en achterzijde van het voertuig uitstaken. Ik voelde dat de lading niet deugdelijk vast zat. Ik zag dat de grote (het hof leest: grootte) van de dikke balk ervoor zorgde dat de andere twee niet deugdelijk bevestigd konden worden omdat er speling op bleef. Omdat de ene mast dikker was dan de andere mast is dit niet voldoende vastgezet. De dunnere mast kon makkelijker loslaten. Ik zag dat de uiteinden van de masten niet waren afgedekt met bescherming. Hierdoor kan mogelijk tijdens een ongeval een gevaarlijke situatie ontstaan door het doorschieten van de masten. Ik hoorde dat de bestuurster verklaarde dat zij bijna op bestemming was en nog maar een klein stukje te rijden (het hof vult aan: had) met de masten en dat zij het eng vond om naar de controleplaats te rijden.”
5. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 5.2.48 van de Regeling voertuigen (Rv). Hierin is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“1. Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
6. In dit geval betreft het niet delen van de auto die uitsteken, maar de lading. Daarop ziet artikel 5.2.48 van de Rv niet. De gedraging met feitcode N 480b kan daarom niet worden vastgesteld.
7. De advocaat-generaal heeft voorgesteld de feitcode te wijzigen naar P 070j “bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg of een driewielig motorrijtuig zijn de goederen niet deugdelijk bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager”. Deze gedraging betreft overtreding van artikel 5.18.7, tweede lid, van de Rv. Hierin is – voor zover van belang, het volgende bepaald:
“Bij het vervoer van goederen op het dak moet worden voldaan aan de volgende eisen:
a. De goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager.”
8. Wat de betrokkene aanvoert geeft het hof geen reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de lading niet deugdelijk was bevestigd. Dat de lading onmogelijk los kon raken omdat het met bepaalde knopen was vastgemaakt, is onvoldoende om hieraan te twijfelen, nu de ambtenaar verklaart dat er speling op de touwen zat door de verschillende diktes van de gaffels en de giek. De betrokkene geeft zelf ook aan dat de lading enigszins van links naar rechts kon bewegen. Dat de lading wellicht niet kon doorschieten zoals de betrokkene stelt, doet daar niet aan af. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging met feitcode P 070j is verricht.
9. Volgens vaste rechtspraak van het hof is het geoorloofd om de feitcode en de omschrijving van de gedraging in de inleidende beschikking te wijzigen, mits de betrokkene daardoor niet in zijn of haar verdedigingsbelangen wordt geschaad. Uit wat de betrokkene aanvoert blijkt dat het voor de betrokkene duidelijk was waartegen zij zich diende te verdedigen. Daarnaast is het bedrag van de gewijzigde sanctie lager dan het oorspronkelijke sanctiebedrag. Het hof zal de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het sanctiebedrag wijzigen.
10. Het hof merkt tot slot op dat in deze procedure slechts kan worden beoordeeld of de sanctie terecht is opgelegd. Klachten over de bejegening door de ambtenaren vallen buiten de reikwijdte van deze procedure. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de klacht dat de ambtenaar zich schuldig heeft gemaakt aan machtsmisbruik. De betrokkene kan als zij dat wenst een klacht indienen bij de politie over het handelen van de ambtenaar.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode, de omschrijving van de gedraging en het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in: P 070j, “bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg of een driewielig motorrijtuig zijn de goederen niet deugdelijk bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager” en een bedrag van € 140,-.
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv teveel tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.