ECLI:NL:GHARL:2022:4834

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
14 juni 2022
Zaaknummer
Wahv 200.289.316/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 11 Wahv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestuursrechtelijke sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs bebording

De betrokkene kreeg een sanctie van €140 opgelegd voor het rijden over een trottoir, vastgesteld door een ambtenaar op locatie. De betrokkene stelde dat hij over de trambaan reed waar geen bord G7 aanwezig is, onderbouwd met foto’s. Het hof oordeelt dat de aanwezigheid van het bord onvoldoende vaststaat, waardoor de sanctiebeschikking niet kan blijven staan.

De kantonrechter had het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard, maar het hof vernietigt deze beslissing en verklaart het beroep gegrond. Het hof acht het bewijs onvoldoende omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de betrokkene op een bord G7-aangeduid voetpad reed.

Daarnaast veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, omdat het beroep gegrond wordt verklaard. Het arrest is gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van de aanwezigheid van bord G7.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.289.316/01
CJIB-nummer
: 228293710
Uitspraak d.d.
: 14 juni 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 december 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “niet de rijbaan gebruiken door te rijden over het trottoir, voetpad, (brom)fietspad of ruiterpad”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 augustus 2019 om 18:02 uur op het Mr. Visserplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet is verricht. De betrokkene is over de trambaan richting het Mr. Visserplein gereden. Aan deze zijde van het plein is geen bord G7 geplaatst. De gemachtigde verwijst hierbij naar meerdere door hem overgelegde foto’s van Google Maps Street View.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de betrokkene met het voertuig reed op een middels bord G7 van het RVV 1990 aangeduide weggedeelte dat is bestemd voor verkeer van voetgangers, zijnde een trottoir.”
5. Uit het dossier blijkt niet of sprake is van een middels bord G7 aangegeven voetpad of van een trottoir. Dit is, nu de gemachtigde de plaatsing van een bord G7 bestrijdt, wel van belang om de gedraging te kunnen vaststellen. In dit geval was de ambtenaar ter plaatse. Dit brengt mee dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat de ambtenaar de bebording heeft gecontroleerd. De gemachtigde stelt echter, onderbouwd met meerdere foto’s, dat de betrokkene via de trambaan is gereden en dat daar geen bord G7 staat. Het hof ziet geen aanleiding de advocaat-generaal, die de gelegenheid heeft gekregen een verweerschrift in te dienen, maar hier geen gebruik van heeft gemaakt, alsnog in de gelegenheid te stellen informatie op te vragen bij de ambtenaar. De gedraging kan daarom niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. De inleidende beschikking kan dus niet in stand blijven. Het hof zal daarom beslissen als hierna vermeld.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het (digitaal) bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.138,50 (= 3 x € 759,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.138,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.