ECLI:NL:GHARL:2022:4845

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
14 juni 2022
Zaaknummer
Wahv 200.294.888/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WahvArt. 5 WahvArt. 5a WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kentekenhouder niet aansprakelijk voor gebruik voertuig door ander na uitlenen als vriendendienst

De betrokkene leende medio oktober 2019 zijn bestelauto als vriendendienst uit in verband met een verhuizing. Het voertuig werd niet teruggebracht en de zogenaamde vriend hield zich onbereikbaar. Vervolgens werden diverse misdrijven en overtredingen met het voertuig begaan. Na herhaalde weigering van de politie deed de betrokkene op 27 februari 2020 schriftelijk aangifte van verduistering.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat het voertuig tegen zijn wil door een ander is gebruikt en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.

Op grond van artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv vernietigt het hof de beschikking en de beslissing van de officier van justitie. Tevens wordt de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene. Het arrest is gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof vernietigt de sanctie en oordeelt dat de kentekenhouder niet aansprakelijk is voor het gebruik van zijn voertuig door een ander.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.294.888/01
CJIB-nummer
: 231085033
Uitspraak d.d.
: 14 juni 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. G.F.M.G. Heutink, kantoorhoudende te Apeldoorn.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft op 25 mei 2021 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Bij schrijven van 30 juni 2021, met bijlage, heeft de gemachtigde het beroepschrift aangevuld.
De advocaat-generaal heeft hierop de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd
van € 95,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer
dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990 (milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op
5 januari 2020 om 18:32 uur op de Gooiseweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene de bestelauto waarmee de gedraging is verricht medio oktober 2019 in verband met een verhuizing voor enkele dagen als vriendendienst had uitgeleend. Het voertuig is vervolgens niet teruggebracht, terwijl deze zogenaamde vriend zich onbereikbaar houdt voor de betrokkene. Omdat nadien diverse misdrijven en overtredingen met het voertuig zijn begaan, is op 27 februari 2020 - na herhaaldelijke weigering door de politie - schriftelijk aangifte van verduistering gedaan bij de officier van justitie. Nu er ten tijde van het vaststellen van de gedraging tegen de wil van de betrokkene gebruik is gemaakt van de bestelauto komt aan de betrokkene een beroep op artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv toe.
3. Artikel 8, aanhef en onder a, Wahv luidt als volgt:
“De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk Pro artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven:
a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen.”
4. Het hof acht op grond van de door de gemachtigde aangevoerde feiten en omstandigheden, die met stukken zijn onderbouwd, aannemelijk geworden dat tegen de wil van de kentekenhouder gebruik is gemaakt van het voertuig en dat deze dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de gemachtigde namens de betrokkene alles in het werk heeft gesteld om het illegale gebruik van het voertuig van de betrokkene te beëindigen.
5. Het voorgaande brengt mee dat de situatie als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Wahv zich hier voordoet. Gelet daarop had de kantonrechter de inleidende beschikking moeten vernietigen. Het hof zal daarom als volgt beslissen.
6. Nu de betrokkene in het gelijk is gesteld (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en
1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786) komen de proceskosten die zijn gemaakt voor beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.029,50
(= 1 x € 541,- x 0,5 + 2 x € 759,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 231085033 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan haar wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.029,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.