In deze civiele zaak vordert appellant een schadevergoeding van Nationale Nederlanden na diefstal van zijn auto. De verzekeraar heeft de claim afgewezen wegens vermeende fraude en het niet nemen van passende maatregelen na terugvinden van de auto. Tevens werd de verzekering beëindigd en persoonsgegevens geregistreerd.
De kantonrechter wees alle vorderingen af, waarna appellant in hoger beroep ging. Het hof bevestigt de noodzaak van bewijsopdrachten omtrent het verzekerd voorval, de omvang van de schade en de schending van de inlichtingenplicht. Appellant moet bewijzen dat de auto daadwerkelijk met geweld is gestolen, dat hij de auto voor de opgegeven prijs heeft gekocht en dat de waarde correct is.
Daarnaast moet appellant tegenbewijs leveren tegen stellingen van de verzekeraar dat de diefstal niet heeft plaatsgevonden zoals opgegeven, dat de aankoopprijs en herkomst van de auto onjuist zijn verklaard, dat de auto voor handel werd gekocht en dat eerdere verzekeringsweigeringen zijn verzwegen. Het hof bepaalt dat getuigenverhoren zullen plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris.
De beslissing tot bewijsopdrachten en aanhouding van verdere beslissing volgt na uitgebreide toetsing van de feiten en standpunten. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 14 juni 2022 in het openbaar uitgesproken.