ECLI:NL:GHARL:2022:4937

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
21-005027-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep: nietigheid eerste aanleg wegens ontbreken afschrift dagvaarding en terugverwijzing zaak

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een verstekvonnis van de rechtbank Overijssel. De rechtbank had verdachte veroordeeld voor openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen en een gevangenisstraf opgelegd, alsmede een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde.

De verdediging stelde dat het onderzoek in eerste aanleg nietig was omdat de raadsman geen afschrift van de dagvaarding had ontvangen en daardoor niet op de hoogte was van de zitting. Het hof constateerde dat de raadsman zich wel tijdig had gesteld, maar dat dit niet was verwerkt door de rechtbank en dat de zaak zonder nader onderzoek bij verstek was behandeld.

Het hof oordeelde dat de procedure in eerste aanleg nietig was wegens het ontbreken van een afschrift van de dagvaarding aan de raadsman en het ontbreken van onderzoek naar diens afwezigheid. Daarom vernietigde het hof het vonnis en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling volgens de juiste procedure.

Uitkomst: Het hof vernietigt het verstekvonnis wegens nietigheid van het onderzoek en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005027-20
Uitspraak d.d.: 25 mei 2022
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 november 2020 met parketnummer 08-131205-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 mei 2022.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte bij verstek voor het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen personen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en met de oplegging van algemene voorwaarden en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [benadeelde] . Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij
toegewezen tot een bedrag van € 22.624,87.

Nietigheid van het onderzoek in eerste aanleg

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het hof verzocht om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank, omdat de zaak in eerste aanleg ten onrechte bij verstek is behandeld en de procedure in eerste aanleg derhalve nietig is.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de zaak zal terugverwijzen naar de rechtbank om aldaar te worden berecht en afgedaan.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat de raadsman van verdachte, mr. L.A.R. Newoor, op 4 september 2020 per e-mail aan het Openbaar Ministerie kenbaar heeft gemaakt zich als raadsman te stellen in deze zaak. Uit het proces-verbaal van de zitting van 29 oktober 2020, het vonnis van de Rechtbank Overijssel en een e-mail van een medewerker van de rechtbank blijkt dat de stelbrief van de raadsman niet is verwerkt. De zaak is vervolgens op 29 oktober 2020 bij verstek behandeld. In het proces-verbaal van die zitting is opgenomen dat ‘mr. P.L.M. Krauth, advocaat te Rotterdam’ niet is verschenen. Uit dit proces-verbaal blijkt verder niet dat de rechtbank nader onderzoek heeft verricht naar de afwezigheid van de raadsman. Verder heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep geen omstandigheid voorgedaan waaruit blijkt dat de raadsman bekend was met de dag en het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof is op basis van het voorgaande van oordeel dat het ervoor moet worden gehouden dat de raadsman geen afschrift van de dagvaarding heeft ontvangen en dat verder ook niet vast te stellen is dat hij op de hoogte was van de zitting in eerste aanleg. Voorts had het op de weg van de rechtbank gelegen om nader onderzoek te verrichten naar de afwezigheid van een raadsman en had de rechtbank zonder dergelijk onderzoek niet aan de behandeling van de zaak toe mogen komen.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is. Dit brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd. Het hof zal de zaak ingevolge artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terugverwijzen naar de rechtbank, teneinde de zaak op de uitgebrachte inleidende dagvaarding verder te berechten in de stand waarin het onderzoek zich bevond op het tijdstip van het uitroepen der zaak op de zitting in eerste aanleg van 29 oktober 2020.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. R.G.J. Welbergen en mr. J. Corthals, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. B. van Leeuwen, griffier,
en op 25 mei 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.