ECLI:NL:GHARL:2022:500

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 januari 2022
Publicatiedatum
25 januari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.265.052/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging snelheidsovertreding ondanks betwisting bebording nabij tankstation

De betrokkene werd beboet voor het rijden met 116 km/h waar 100 km/h was toegestaan op de A8 nabij hectometerpaal 4.3. De betrokkene voerde aan dat de maximumsnelheid niet correct was vastgesteld vanwege een invoeg- en uitrijstrook bij een tankstation, waardoor de bebording niet meer van toepassing zou zijn.

De kantonrechter verwierp dit verweer en verklaarde het beroep ongegrond. Het gerechtshof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat de ambtenaar ter plaatse was en dat de relevante bebording (bord A1) aanwezig en duidelijk zichtbaar was. Volgens artikel 1 RVV Pro 1990 verandert een invoeg- of uitrijstrook de geldende maximumsnelheid voor doorgaand verkeer niet.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de snelheidsovertreding en wijst het beroep en het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.265.052/01
CJIB-nummer
: 218491824
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 9 juli 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 126,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 16 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 juli 2018 om 12.10 uur op de A8 rechts (hmp 4.3, borden bij 3.0) in Oostzaan met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde is het niet eens met de wijze waarop de kantonrechter het verweer inzake de bebording heeft verworpen. Hij voert daartoe aan dat de kantonrechter geen aanleiding ziet te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de maximumsnelheid ter plaatse 100 km/h bedroeg, terwijl de gemachtigde uitgebreid heeft betoogd dat vlak voor de meetlocatie een tankstation ligt, waardoor de werking van de bebording is opgeheven. Het betreft immers een af- en oprit, waarbij andere snelheden gelden dan op de autosnelweg. Na het tankstation had opnieuw een bord A1 ‘100’geplaatst moeten worden. Voorts heeft de kantonrechter volgens de gemachtigde ten onrechte geoordeeld dat het arrest van 1 februari 2019, waar de gemachtigde naar verwijst, niet van toepassing is omdat in die zaak sprake was van een trajectcontrole. Dat doet echter niet ter zake. Waar het om gaat is dat vast moet komen te staan dat de juiste bebording aanwezig was. Nu een proces-verbaal of schouwrapport waaruit de aanwezigheid van de juiste bebording ontbreekt, dient de inleidende beschikking te worden vernietigd.
3. De gemachtigde heeft niet betwist dat de betrokkene op voormelde datum, tijd en locatie een (gecorrigeerde) snelheid van 116 km/h heeft gereden. Om vast te kunnen stellen of de onderhavige gedraging is verricht, dient de vraag te worden beantwoord wat de maximumsnelheid ter plaatse was.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de vermelding dat de toegestane maximumsnelheid ter plaatse 100 km/h bedroeg. Daarnaast staat in het zaakoverzicht bij de pleeglocatie vermeld ‘A8 rechts hectometerpaal 4.3 borden bij 3.0’.
5. Uit de stukken in het dossier blijkt voorts dat in deze zaak sprake is van een mobiele snelheidscontrole. Dit brengt mee dat de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd zelf ter plaatse was. In zo’n geval mag in het algemeen worden aangenomen dat de ambtenaar heeft vastgesteld dat de relevante bebording aanwezig en duidelijk zichtbaar is (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2020:1803). Het hof gaat er aldus vanuit dat ten tijde van gedraging een bord A1 stond geplaatst bij hectometerpaal 3.0.
6. De stelling van de gemachtigde dat op de locatie van de controle de werking van de bebording was beëindigd door aanwezigheid van een af- en oprit (het hof begrijpt: een invoeg- en uitrijstrook) richting het tankstation, is onjuist. Artikel 1 van Pro het RVV 1990 definieert een invoeg- en uitrijstrook als een door een blokmarkering van de doorgaande rijbaan afgescheiden weggedeelte dat is bestemd voor bestuurders die de doorgaande rijbaan oprijden respectievelijk verlaten. Voor bestuurders die de doorgaande rijbaan blijven volgen brengt de aanwezigheid van een invoeg- of uitrijstrook op zichzelf geen verandering in de voor hen geldende maximumsnelheid. Dat brengt mee dat bij het verlaten van het tankstation niet opnieuw een bord A1 ‘100’ hoefde te zijn geplaatst. Het verweer wordt verworpen.
7. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit brengt mee dat de kantonrechter het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.