De zaak betreft het hoger beroep van de ouders tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind, geboren in 2020. De kinderrechter had deze machtiging verlengd tot 13 november 2022, omdat de uithuisplaatsing noodzakelijk wordt geacht voor de verzorging en opvoeding van het kind.
De ouders betwisten deze verlenging en stellen dat zij in staat zijn voor het kind te zorgen, maar geen kans hebben gekregen voor een ouderschapsbeoordeling. Zij willen alsnog meewerken aan een dergelijk onderzoek. De gecertificeerde instelling en de raad voor de kinderbescherming stellen echter dat eerdere aanmeldingen voor ouderschapsbeoordeling zijn afgewezen en dat het kind inmiddels gehecht is aan het pleeggezin, waardoor een nieuwe beoordeling niet meer zinvol is.
Het hof overweegt uitgebreid het verleden en functioneren van de ouders, waarbij onder meer het beperkte pedagogisch inzicht van de vader, zijn strafrechtelijke veroordelingen voor huiselijk geweld en mishandeling, en het licht verstandelijk beperkte functioneren van de moeder worden betrokken. Het hof concludeert dat de ouders onvoldoende hebben meegewerkt en dat het vertrouwen in hun vermogen tot goed ouderschap ontbreekt.
Gezien de hechting van het kind aan het pleeggezin en de blijvende zorgen over de thuissituatie, acht het hof de uithuisplaatsing noodzakelijk en bekrachtigt het de beslissing van de kinderrechter. Het hof benadrukt dat het positief is dat de vader nu bereid is meer openheid te geven over zijn strafrechtelijke verleden, wat relevant is voor de omgangsregeling.