ECLI:NL:GHARL:2022:526
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot oplegging dwangmiddelen voor nakoming omgangsregeling
De vader vorderde in kort geding dat de gecertificeerde instelling (GI) zou worden veroordeeld tot het naleven van een omgangsregeling met zijn minderjarige kind, met oplegging van dwangmiddelen indien nodig. De omgangsregeling was eerder vastgesteld door de voorzieningenrechter en hield in dat de vader één keer per vier weken een uur begeleide omgang met het kind heeft.
In eerste aanleg werden de vorderingen van de vader afgewezen. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde vast dat de omgang al vóór het vonnis van 24 november 2020 plaatsvond en ook daarna, met uitzondering van enkele maanden waarin geen omgang was geweest. De reden voor het uitblijven van omgangsmomenten was betwist, maar het hof concludeerde dat na het bestreden vonnis van 17 mei 2021 de omgang weer conform de regeling wordt uitgevoerd.
Hoewel de vader klachten had over het optreden van de GI tijdens omgangsmomenten en over de planning, vond het hof dit onvoldoende spoedeisend belang om dwangmiddelen op te leggen. De vorderingen werden daarom afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering van de vader tot oplegging van dwangmiddelen aan de gecertificeerde instelling wordt afgewezen en het vonnis van 17 mei 2021 bekrachtigd.