ECLI:NL:GHARL:2022:5474

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
28 juni 2022
Zaaknummer
Wahv 200.295.470
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 RVV 1990Art. 1 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete stilstaan op fietsstrook en proceskostenvergoeding

De betrokkene kreeg een boete van €95 wegens stilstaan op een fietsstrook op de Heyendaalseweg in Nijmegen. De betrokkene voerde aan dat de overtreding niet kon worden vastgesteld omdat de foto’s onvoldoende bewijs zouden leveren en er geen gevaar of hinder voor fietsers was. De kantonrechter verklaarde het beroep tegen de boete ongegrond en vernietigde een beslissing van de officier van justitie, maar wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep bevestigde het hof dat de overtreding voldoende was vastgesteld op basis van de verklaring van de ambtenaar en ondersteunende foto’s. De stellingen van de gemachtigde werden verworpen omdat het recht geen foto vereist waarop zowel het voertuig als een fiets staat en geen bewijs van hinder of gevaar noodzakelijk is.

Wel oordeelde het hof dat de gemachtigde onterecht niet kon deelnemen aan de zitting doordat hij te laat was en de rechter hem telefonisch had toegezegd te wachten. Hierdoor was het redelijk om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand bij de kantonrechter en in hoger beroep.

Het hof veroordeelde de advocaat-generaal tot het vergoeden van €569,25 aan proceskosten. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd voor het ongegrond verklaren van het beroep tegen de boete, maar vernietigd voor het afwijzen van de proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Boete bevestigd, proceskostenvergoeding toegekend wegens niet kunnen bijwonen zitting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.295.470/01
CJIB-nummer
: 232092842
Uitspraak d.d.
: 28 juni 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 april 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep richt zich ten eerste tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij de inleidende beschikking in stand is gelaten.
2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “stilstaan op een fietsstrook”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 februari 2020 om 14:45 uur op de Heyendaalseweg in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld, ten eerste omdat de ambtenaar geen foto heeft gemaakt waarop zowel het voertuig van de betrokkene als een afbeelding van een fiets staan. De ene foto met daarop slechts de afbeelding van een fiets kan overal zijn genomen en later zijn toegevoegd aan het dossier. De onderbroken streepjes op deze foto zijn veel kleiner dan die op de door de betrokkene genomen foto. Ook heeft de ambtenaar niet verklaard waaruit de gevaarlijke situatie of de hinder voor fietsers bestond, of hoeveel fietsers last hadden van de -in de ogen van de gemachtigde- rechtmatige actie van de betrokkene. Er kon ook geen gevaarlijke situatie ontstaan omdat, zoals op de foto’s te zien is, fietsers tussen de stilstaande auto’s en de auto van de betrokkene door konden rijden. De voertuigen die last zouden hebben gehad van het voertuig van de betrokkene zijn ook niet (met kenmerk en kenteken) omschreven.
4. De gedraging betreft een overtreding van artikel 23, eerste lid, onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). De bestuurder mag zijn voertuig niet laten stilstaan op een fietsstrook of op de rijbaan langs een fietsstrook. Artikel 1 van Pro het RVV 1990 definieert fietsstrook als een door doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd gedeelte van de rijbaan waarop afbeeldingen van een fiets zijn aangebracht.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik verbalisant zag dat dit voertuig stilstond op de fietsstrook, zodanig dat de fietsers die gebruik maken van deze fietsstrook dermate hinder van de ondervonden dat ze moesten uitwijken naar het weggedeelte waar de motorvoertuigen rijden. Ik zag dat hierdoor een gevaarlijke situatie ontstond voor de uitwijkende fietsers en de motorvoertuigen.”
6. In een aanvullend proces-verbaal verklaart de ambtenaar dat het voertuig van de betrokkene ten tijde van verbaliseren daadwerkelijk op de Heyendaalseweg in Nijmegen op een fietsstrook stilstond en dat als bijlage de in het brondocument opgenomen foto’s zijn overgelegd. Het betreft 2 foto’s waarop te zien is dat het voertuig met het kenteken [kenteken] op een rode strook staat, die door middel van onderbroken witte strepen is afgescheiden van de rest van de rijbaan. Het voertuig beslaat de volle breedte van deze rode strook. Er zijn ook 2 foto’s waarop de afbeelding van een fiets staat. Op een van de foto's rijdt een fietser met rode bovenkleding ter hoogte van een grote witte afbeelding die op de rode strook staat.
7. De gedraging kan worden vastgesteld op grond van de verklaring van de ambtenaar, ondersteund met foto’s van de gedraging, uit welke foto’s in onderling verband ook genoegzaam blijkt dat sprake is van stilstaan op een fietsstrook. Dat de witte strepen op een door de betrokkene gemaakte foto groter zouden zijn maakt het voorgaande niet anders, nog daargelaten dat de foto niet is overgelegd. De stellingen van de gemachtigde, dat voor de vaststelling van de gedraging een foto is vereist waarop zowel het voertuig van de betrokkene als een afbeelding van een fiets staat en dat moet kunnen worden vastgesteld dat fietsers gevaar of hinder ondervinden van het stilstaan op de fietsstrook vinden geen steun in het recht.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren.
9. De gemachtigde voert verder aan dat de kantonrechter niet heeft beslist op zijn verzoek om proceskosten in verband met de vernietiging van de beslissing van de officier van justitie.
10. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskosten afgewezen. Daartoe is onder verwijzing naar het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336 overwogen dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding nu de inleidende beschikking niet wordt vernietigd of gewijzigd. Dat de gemachtigde het met deze beslissing niet eens is omdat hij, zoals hij stelt, door de lakse houding van de officier van justitie kosten moet maken, betekent niet dat niet is beslist op zijn kostenverzoek.
11. De gemachtigde is verder van mening dat hem een vergoeding voor proceskosten van 1 punt moet worden toegekend voor de zitting van de kantonrechter op 6 april 2021. De gemachtigde was door het uitlopen van werkzaamheden in Amsterdam verlaat voor de zitting van de kantonrechter in Nijmegen. Toen hij dat telefonisch aankondigde, is hem door de griffier nadrukkelijk meegedeeld dat de rechter op hem zou wachten. De gemachtigde mocht daarop vertrouwen. Nog voor hij in Nijmegen arriveerde werd hem echter meegedeeld dat de rechter was vertrokken. Ter onderbouwing is een brief van een lid van het gerechtsbestuur van 11 mei 2021 gericht aan de gemachtigde overgelegd.
12. Nu de inleidende beschikking niet is vernietigd of gewijzigd, is de betrokkene niet in het gelijk gesteld in de zin van de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). In een dergelijk geval dient toekenning van een proceskostenvergoeding in beginsel achterwege te blijven. Er kunnen omstandigheden zijn waaronder het redelijk is om een proceskostenvergoeding toe te kennen (vgl. de arresten van het hof van 15 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4520 en 6 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3244).
Het hof acht de door de door de gemachtigde naar voren gebrachte gang van zaken aannemelijk gelet op de overgelegde brief en stelt vast dat de gemachtigde, door de toezegging van de griffier, zich heeft begeven naar Nijmegen om daar ter zitting van de kantonrechter zijn standpunt toe te lichten, maar daartoe niet de gelegenheid heeft gekregen. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden het niet redelijk is dat de daarmee gemoeide kosten voor rekening van de betrokkene blijven.
13. De kantonrechter heeft het verzoek om proceskostenvergoeding ten onrechte afgewezen. Het hof zal doen wat de kantonrechter had behoren te doen en een vergoeding toekennen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bestaande uit de zitting bij de kantonrechter (1 punt). Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toegepast. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 1 april 2021, www.rechtspraak.nl ECLI:NL:GHARL:2021:1786, wordt ook een proceskostenvergoeding toegekend voor rechtsbijstand in hoger beroep. Aan het indienen van een hoger beroepschrift wordt een punt toegekend. De wegingsfactor in hoger beroep bedraagt 0,25 (gewicht van de zaak is zeer licht, het geschil heeft betrekking op de toekenning van proceskostenvergoeding). De waarde per punt bedraagt € 759,-.
14. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 569,25 (1 x 0,5 x € 759,- + 1 x 0,25 x € 759,-).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 569,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.