De minderjarige, geboren in 2019, is sinds juni 2019 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst in een pleeggezin. De moeder was belast met het gezag, maar de rechtbank beëindigde dit op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. De moeder ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht onder meer om het gezag te behouden of de pleegouders als voogd aan te wijzen.
Het hof overweegt dat het belang van de minderjarige voorop staat, met name het recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in het pleeggezin. Hoewel de moeder instemt met de plaatsing, weegt het belang van het kind bij stabiliteit zwaarder dan het belang van de moeder om het gezag te behouden. Er zijn nog steeds zorgen over de relatie tussen de ouders en de mogelijke spanningen die dit voor het kind kan veroorzaken.
De pleegouders willen de voogdij nog niet op zich nemen, waardoor de gecertificeerde instelling voorlopig als voogd blijft benoemd. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het beroep van de moeder af, waarmee het gezag van de moeder wordt beëindigd ten behoeve van het belang van de minderjarige.