In deze zaak staat de ondertoezichtstelling van een minderjarige centraal. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling tot 25 januari 2023 bevolen wegens grote zorgen over het gedrag en de opvoedingssituatie van het kind. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing en verzocht om afwijzing of verkorting van de ondertoezichtstelling. De moeder steunde dit verzoek, terwijl de raad voor de kinderbescherming en de Jeugdbescherming het standpunt van de kinderrechter verdedigden.
Het hof heeft vastgesteld dat er destijds grote zorgen waren over het gedrag van de minderjarige, waaronder druk gedrag, moeilijk begrenzen en vermoedens van medicatiegebruik zonder voorschrift. De ouders hadden zelf problemen en konden onvoldoende rust en structuur bieden. Eerdere vrijwillige hulpverlening had niet geleid tot verbetering. Inmiddels is de situatie verbeterd: ouders ontvangen hulp voor hun problemen en opvoedondersteuning, de minderjarige gaat naar school en vertoont minder zorgwekkend gedrag. De gezinsvoogd constateert nog wel enige zorgen, maar acht de huidige hulp voldoende en vrijwillig voortzetbaar.
Het hof oordeelt daarom dat een ondertoezichtstelling voor de resterende periode niet langer nodig is en besluit de ondertoezichtstelling per 1 oktober 2022 te beëindigen. De beslissing van de kinderrechter wordt voor de periode tot 1 oktober 2022 bekrachtigd en voor de periode daarna vernietigd. Het verzoek van de raad tot voortzetting van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen.