Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
[naam1] B.V.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De kantonrechter had bij beschikking van 14 oktober 2021 [naam1] BV benoemd tot opvolgend bewindvoerder van [verzoekster], nadat haar zoon was ontslagen wegens het niet tijdig afleggen van rekening en verantwoording. [Verzoekster] kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en [naam2] tot opvolgend bewindvoerder te benoemen, conform haar uitdrukkelijke voorkeur.
Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat communicatie tussen [verzoekster], die blind is en de Somalische taal spreekt, en [naam1], die de taal niet machtig is, niet mogelijk was. Daarentegen bestaat er een vertrouwensband tussen [verzoekster] en [naam2], die de Nederlandse taal beheerst en ervaring heeft met het beheren van financiële zaken voor leden van de Somalische gemeenschap.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 1:435 lid 3 BW Pro de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende bij de benoeming van een bewindvoerder moet worden gevolgd, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten. Geen dergelijke redenen waren aanwezig. Daarom vernietigde het hof de beschikking voor zover [naam1] was benoemd en benoemde het [naam2] tot opvolgend bewindvoerder. Tevens werd bepaald dat [naam2] uiterlijk 1 november 2022 de vijfjaarlijkse evaluatie moet indienen en dat zijn beloning wordt vastgesteld volgens het tarief voor niet-professionele bewindvoerders.
Uitkomst: Het hof vernietigt de benoeming van [naam1] BV als opvolgend bewindvoerder en benoemt [naam2] tot opvolgend bewindvoerder volgens de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende.