ECLI:NL:GHARL:2022:5936

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juli 2022
Publicatiedatum
12 juli 2022
Zaaknummer
200.302.311
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 810a RvArt. 3 VRKArt. 20 VRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag moeder wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging van minderjarige

De moeder en vader waren gezamenlijk belast met het gezag over hun in 2009 geboren dochter, die sinds 2019 met een machtiging uit huis is geplaatst in een gezinshuis. De raad verzocht de rechtbank het gezag van de ouders te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd te benoemen. De rechtbank gaf hieraan gehoor, waarna de moeder in hoger beroep ging met twee grieven en tevens een verzoek tot nader onderzoek op grond van artikel 810a Rv indiende.

Het hof overwoog dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat zij sinds haar plaatsing in het gezinshuis een positieve ontwikkeling doormaakt, maar dat zij ernstig in haar ontwikkeling werd bedreigd bij de moeder. Uit rapporten bleek dat de moeder beperkte cognitieve vermogens en stemmingsproblemen heeft, onvoldoende pedagogische vaardigheden bezit en niet in staat is om de minderjarige binnen een aanvaardbare termijn op te voeden. De moeder erkent de problematiek van het kind onvoldoende en is niet leerbaar gebleken.

Het verzoek van de moeder tot nader onderzoek werd afgewezen vanwege het belang van de minderjarige bij rust, continuïteit en duidelijkheid over haar perspectief. Het hof bekrachtigde de beschikking van de rechtbank die het gezag van de moeder beëindigde en de gecertificeerde instelling tot voogd benoemde, en wees het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder en wijst het verzoek tot nader onderzoek af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.302.311
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 520773)
beschikking van 12 juli 2022
inzake
[verzoekster],
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI,
en
[de vader],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verder te noemen: de vader,
en
[de gezinshuisouders],
hierna: de gezinshuisouders,
wonende in [woonplaats1] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna ook: de kinderrechter), van 28 juli 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 oktober 2021.
2.2
Op 11 april 2022 heeft na te noemen minderjarige [de minderjarige] een gesprek gehad met een raadsheer van het hof.
2.3
De mondelinge behandeling is op 21 april 2022 aangevangen en wegens het ontbreken van een tolk aangehouden. De inhoudelijke behandeling heeft op 12 mei 2022 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, haar advocaat en een tolk;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI, en
-één van de gezinshuisouders (via een beeldverbinding).

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in]
2009 te [plaats1] . Tot de bestreden beschikking waren de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .
3.2
Bij beschikking van 5 juni 2018 heeft de kinderrechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, de laatste keer tot 5 juni 2022.
3.3
In februari 2019 is [de minderjarige] met een machtiging uit huis geplaatst in het gezinshuis [naam1] in [woonplaats1] , waar zij nog steeds verblijft. Evenals de ondertoezichtstelling is de machtiging tot uithuisplaatsing de laatste keer verlengd tot 5 juni 2022.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de ouders over [de minderjarige] beëindigd met benoeming van de GI tot voogd.
4.2
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, primair het verzoek van de raad tot beëindiging van haar gezag over [de minderjarige] met benoeming van de GI tot voogdes, alsnog af te wijzen en subsidiair een nader onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij zij een NIFP-onderzoek voorstelt.
4.3
De raad heeft op de mondelinge behandeling verweer gevoerd.
5. De motivering van de beslissing
5.1
Op grond van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.
5.3
De moeder voert aan dat niet aan de voorwaarden voor gezagsbeëindiging is voldaan en dat de aanvaardbare termijn nog niet is verstreken. Niet is gebleken dat de ontwikkeling van [de minderjarige] stagneert doordat zij in onzekerheid verkeert over haar opgroeiperspectief. [de minderjarige] ontwikkelt zich juist positief en leeftijdsadequaat in het gezinshuis. Uit de bestreden beschikking blijkt onvoldoende dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging.
De moeder meent dat zij onvoldoende de kans heeft gekregen om met de juiste hulpverlening de opvoedsituatie te verbeteren. Slechts op basis van de bevindingen van de GI en Radar wordt nu geconcludeerd dat de moeder onvoldoende opvoedingsvaardigheden heeft.
De situatie van de moeder is gewijzigd, zo heeft zij nu eigen woonruimte. In die gewijzigde situatie is onvoldoende onderzocht of terugplaatsing mogelijk is. Alleen door het tijdsverloop wordt nu bepaald dat een gezagsbeëindiging de meest passende maatregel is.
Aangezien de moeder vindt dat onvoldoende is onderzocht of zij in staat is de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, verzoekt zij (subsidiair) een contra-expertise (door het NIFP) op grond van artikel 810a lid 2 Rv.
5.4
De raad voert gemotiveerd verweer tegen de stellingen van de moeder.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Het verzoek van de moeder om een onderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv zal het hof afwijzen. Het belang van [de minderjarige] verzet zich tegen een onderzoek zoals door de moeder is verzocht. [de minderjarige] woont inmiddels ruim drie jaar in het gezinshuis. Zij is een zeer kwetsbaar meisje en zij heeft last van de onzekerheid over haar verblijf in het gezinshuis. [de minderjarige] moet nog EMDR-therapie volgen maar deze therapie is op dit moment nog te zwaar voor haar. Het is voor haar van belang dat er op korte termijn duidelijkheid komt over haar perspectief zodat zij zich veilig kan hechten in het gezinshuis. Het belang van [de minderjarige] verzet zich ertegen dat de huidige onzekere situatie - mede in aanmerking genomen de termijn waarop onderzoek en rapportage te verwachten is - nog langer zal voortduren. Zij is voor haar ontwikkeling gebaat bij rust, duidelijkheid en continuïteit.
5.6
Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder dient te worden beëindigd omdat gebleken is dat [de minderjarige] bij de moeder zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de moeder niet in staat is gebleken de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.
ontwikkelingsbedreiging
5.7
Uit het rapport van de raad van 6 april 2021 (verder: het raadsrapport) blijkt het volgende. [de minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. In de thuissituatie was sprake van pedagogische verwaarlozing en [de minderjarige] werd onvoldoende gestimuleerd. [de minderjarige] functioneert cognitief gezien op beneden gemiddeld niveau. Jeugdtraumaherstel Zuid-Limburg heeft na onderzoek vastgesteld dat bij [de minderjarige] sprake is van hechtingsproblematiek en trauma. [de minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand op sociaal en emotioneel gebied. [de minderjarige] heeft veel behoefte aan structuur en nog meer dan voor een gemiddeld ander kind is het voor haar van belang dat zij opgroeit in een veilige en voorspelbare opvoedingsomgeving.
De moeder is onvoldoende in staat gebleken om [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. Bij de moeder is sprake van beperkte cognitieve vermogens en stemmingsproblemen. De moeder wil [de minderjarige] heel graag verzorgen en opvoeden, maar beschikt daarvoor over onvoldoende pedagogische vaardigheden. Het ontbrak in de thuissituatie aan stabiliteit, begrenzing en structuur. [de minderjarige] kreeg daardoor sociale, emotionele en gedragsproblemen en zij had last van forse driftbuien. Zij liet sterk zelfbepalend gedrag zien en accepteerde geen gezag in de thuissituatie bij de moeder.
De hulpverleningsinstantie Radar biedt al meerdere jaren ondersteuning aan de moeder. Radar beschrijft dat de moeder sinds de uithuisplaatsing van [de minderjarige] geen groei heeft doorgemaakt. Het lukt de moeder niet om pedagogisch aan te sluiten bij [de minderjarige] . Met behulp van begeleide omgang is geprobeerd om toe te werken naar een opbouw van het contact maar moeder is niet leerbaar gebleken. Omgangsbegeleiding is nog steeds nodig. De moeder sluit niet aan bij de groei van [de minderjarige] en het lukt haar niet om haar pedagogisch handelen af te stemmen op de behoefte van [de minderjarige] . De moeder is met name sterk gericht op haar eigen belangen. De moeder heeft geen probleeminzicht en ze erkent de kindeigen problematiek van [de minderjarige] niet.
5.8
Sinds [de minderjarige] in het gezinshuis woont heeft zij een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Zij laat geen forse gedragsproblemen meer zien en kan cognitief meer aan dan eerst werd aangenomen. Zij maakt een duidelijke groei door. De stelling van de moeder dat daarmee geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging volgt het hof niet. Voldoende is komen vast te staan dat de positieve ontwikkeling die [de minderjarige] op dit moment doormaakt het gevolg is van de huidige opvoedingsomgeving van [de minderjarige] .
Dat de situatie van de moeder is gewijzigd in die zin dat zij niet meer binnen de vrouwenopvang verblijft, maakt het oordeel dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging niet anders. Dat de moeder nu zelfstandige woonruimte heeft betekent niet dat de moeder nu wel in staat is [de minderjarige] opvoedkundig te bieden wat zij nodig heeft.
De observaties die zowel door de GI, Radar als de raad zijn gedaan geven blijk van onvermogen van de moeder om [de minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft. De hulp en begeleiding die de moeder in de jaren voorafgaand aan de uithuisplaatsing is geboden, hebben onvoldoende resultaat gehad.
aanvaardbare termijn
5.9
Voor het hof is duidelijk dat de moeder, mede gelet op de kwetsbaarheid van [de minderjarige] , niet in staat is gebleken om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen.
[de minderjarige] ontwikkelt zich goed in het gezinshuis en hecht zich aan de gezinshuisouders. [de minderjarige] heeft als gevolg van onduidelijkheid over haar perspectief last van onrust. De moeder spreekt nog regelmatig de wens uit dat [de minderjarige] thuis kan komen wonen. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] en kan zorgen voor loyaliteitsproblemen. Gelet op hechtingsproblematiek en trauma bij [de minderjarige] , is het juist van groot belang dat [de minderjarige] duidelijkheid krijgt over haar perspectief. Dan pas kan zij zich volledig gaan hechten in het gezinshuis. Voor [de minderjarige] moet zekerheid, continuïteit en een ongestoorde hechting worden gewaarborgd. [de minderjarige] heeft recht op duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief, zodat zij zich onbelast kan (blijven) ontwikkelen. De tekortschietende opvoedvaardigheden van de moeder, het niet onderkennen van de kindeigen problematiek van [de minderjarige] en het gebrek aan acceptatie van het opgroeien van [de minderjarige] in het gezinshuis, vormen daarin een belemmerende factor. De moeder is niet leerbaar gebleken waardoor er geen perspectief is voor [de minderjarige] om op termijn weer bij de moeder te kunnen opgroeien.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 juli 2021;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. I.G.M.T. Weijers-van der Marck, E. de Boer en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, en is op 12 juli 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.