ECLI:NL:GHARL:2022:599

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
27 januari 2022
Zaaknummer
Wahv 200.277.999/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-stellen zekerheid bij bestuursstrafrechtelijke sanctie

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat niet tijdig zekerheid was gesteld voor de betaling van de sanctie en administratiekosten conform artikel 11 Wahv Pro.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de betrokkene niet in staat was zekerheid te stellen en dat dit ook kenbaar was gemaakt. Tevens werd aangevoerd dat niet was medegedeeld dat de betrokkene in verzuim zou zijn. Het hof oordeelt dat de betrokkene en zijn gemachtigde meerdere malen per brief zijn gewezen op de verplichting tot zekerheidstelling en dat geen reactie is ontvangen.

Het hof stelt vast dat de betrokkene niet tijdig zekerheid heeft gesteld en dat het verzoek om uitstel van betaling geen draagkrachtverweer inhoudt. De betrokkene heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd met een verklaring omtrent onvoldoende draagkracht. Het hof bevestigt daarom dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de inhoudelijke bezwaren niet kunnen worden behandeld.

Uitkomst: Het hof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het niet tijdig stellen van zekerheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.277.999/01
CJIB-nummer
: 228922503
Uitspraak d.d.
: 27 januari 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 9 april 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. Cortet, advocaat te Utrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 11 van Pro de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. Er is niet (tijdig) zekerheid gesteld. De kantonrechter heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen en dit ook kenbaar te hebben gemaakt in het beroepschrift aan de kantonrechter. Voorts stelt de gemachtigde van de betrokkene dat aan de betrokkene nooit kenbaar is gemaakt dat hij in verzuim zou verkeren. Na het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter op 16 januari 2020 heeft hij tot ontvangst van de uitspraak van de kantonrechter, verzonden op 9 april 2020, niets vernomen.
3. Bij brieven van 23 januari 2020, geadresseerd aan de betrokkene en de gemachtigde, is de betrokkene gewezen op de wettelijke verplichting om vóór de behandeling van het beroepschrift door de kantonrechter zekerheid te stellen voor het bedrag van de sanctie en de administratiekosten. Bij brieven van 9 februari 2020 is de betrokkene opnieuw in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Op deze brieven staat het CJIB-nummer vermeld. Op geen van beide brieven heeft (de gemachtigde van) de betrokkene gereageerd.
4. Het is vaste rechtspraak dat het bestuursorgaan (in dit geval de officier van justitie) aannemelijk moet maken dat een beslissing of ander relevant document is verstuurd. Als dat aannemelijk is gemaakt, is het aan de geadresseerde om op een niet ongeloofwaardige manier te betwisten dat het document is ontvangen. Slaagt dat, dan is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat het document wel is ontvangen.
5. Zekerheidsbrieven worden namens de officier van justitie verzonden door de CVOM. In het arrest van 28 januari 2013 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1110) heeft het hof vastgesteld dat het verzendproces zo is ingericht, dat de kans op fouten vrijwel is uitgesloten. Daarom mag worden aangenomen dat deze brieven daadwerkelijk zijn verstuurd.
6. De gemachtigde van de betrokkene heeft ontkend dat de zekerheidsbrieven zijn ontvangen. Dat is onvoldoende om de ontvangst te weerleggen. Uit de stukken blijkt ook niet dat de zekerheidsbrieven als onbestelbaar retour zijn gekomen. Daarom wordt ervan uitgegaan dat de gemachtigde deze wel heeft ontvangen.
7. Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat in het beroepschrift bij de kantonrechter kenbaar is gemaakt dat de betrokkene niet in staat is zekerheid te stellen, overweegt het hof dat in het beroepschrift bij de kantonrechter uitgebreid verweer is gevoerd tegen de inhoud van de sanctie en dat in de laatste alinea van de deze brief is aangevoerd: “Tot slot verzoek ik u namens eiser om hem hangende het beroep uitstel van betaling te verlenen van de opgelegde boete en bij gegrondverklaring van het beroep tevens de door eiser gemaakte noodzakelijke kosten in verband met dit beroep te vergoeden.” Het hof stelt vast dat deze opmerking niet kan worden aangemerkt als een draagkrachtverweer, nu niet is aangegeven dat het verzoek om uitstel van betaling verband houdt met onvoldoende financiële draagkracht.
8. De (gemachtigde van de) betrokkene heeft niet binnen de gestelde termijn zekerheid gesteld en ook niet in reactie op de toegezonden brieven gemeld dat wegens onvoldoende financiële draagkracht geen zekerheid kon worden gesteld. Het is in strijd met een goede procesorde om pas in hoger beroep aan te voeren dat zekerheidstelling niet kan plaatsvinden op grond van te geringe draagkracht. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Van een procespartij mag worden verwacht dat op de toegezonden brieven wordt gereageerd door ofwel zekerheid te stellen, ofwel uit te leggen waarom niet aan de verplichting om zekerheid te stellen kan worden voldaan.
9. De kantonrechter heeft het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hof bevestigt de beslissing van de kantonrechter. Net als de kantonrechter kan het hof de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sanctie daarom niet behandelen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.