De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor twee diefstallen van fietsaccu's in Veenendaal, gepleegd op 9 en 23 maart 2019. Tegen dit vonnis stelde hij hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de terechtzitting op 28 juni 2022 en het onderzoek van het hof is gebleken dat de camerabeelden die als bewijs werden aangevoerd niet voorzien waren van datum en tijd, en de digitale metadata van deze beelden niet overeenkwamen met de tenlastegelegde data en tijdstippen van de diefstallen. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat de beelden betrekking hadden op de feiten.
De advocaat-generaal vorderde een taakstraf, maar de raadsman van de verdachte voerde aan dat er onvoldoende bewijs was. Het hof volgde dit standpunt en vernietigde het vonnis van de politierechter. De verdachte werd vrijgesproken van beide diefstallen. Tevens verklaarde het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding omdat de verdachte niet schuldig was bevonden.
Het hof veroordeelde de benadeelde partij tot vergoeding van de kosten van de tenuitvoerlegging tot aan de uitspraak, begroot op nihil. De uitspraak werd op 12 juli 2022 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.