De zaak betreft een hoger beroep van de gemeente tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel die het verzoek van de gemeente tot vaststelling van een aanvullende verhaalsbijdrage wegens bijstand aan de moeder en haar minderjarige kind had afgewezen.
De man en zijn ex-partner zijn ouders van een minderjarige geboren in 2006. Na ontbinding van hun geregistreerd partnerschap in 2007 werd een alimentatiebedrag vastgesteld. De partneralimentatie is inmiddels beëindigd, maar de man betaalt nog kinderalimentatie. De vrouw ontvangt sinds 2019 bijstand op grond van de Participatiewet, mede ten behoeve van het kind. De gemeente stelde in 2020 een aanvullende verhaalsbijdrage vast.
De rechtbank wees het verzoek van de gemeente af, maar het hof oordeelt dat op grond van artikel 62e lid 2 Participatiewet en gewijzigde omstandigheden (zoals het vervallen van partneralimentatie en het gestegen inkomen van de man) een herbeoordeling gerechtvaardigd is. Het hof bepaalt dat de man naast de bestaande kinderalimentatie een aanvullende bijdrage van €399,15 per maand aan de gemeente moet betalen zolang bijstand wordt verstrekt.
Ook stelt het hof de betalingsachterstand vast op €10.777,05 en veroordeelt de man tot betaling hiervan. Bij beëindiging van de bijstand moet de man de maandelijkse bijdrage blijven betalen totdat de achterstand volledig is afgelost. Bij niet-tijdige betaling volgt een veroordeling tot onmiddellijke betaling van het volledige openstaande bedrag met rente en kosten. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.