Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader zijn gezamenlijk ouderlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen. Na ontbinding van het huwelijk is het verzoek van de moeder om het gezag eenhoofdig aan haar toe te wijzen door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep heeft de moeder dit verzoek herhaald, waarbij de vader geen verweer voerde en niet bij de zitting aanwezig was.
Het hof constateerde dat de vader sinds geruime tijd geen contact meer onderhoudt met de moeder en kinderen, niet reageert op oproepen en brieven, en onduidelijk is over zijn verblijfplaats. Dit leidt tot praktische problemen voor de moeder bij de uitoefening van het gezag, zoals het verkrijgen van toestemming voor reizen met de kinderen.
Op grond van artikel 1:251a BW oordeelde het hof dat het belang van de kinderen vereist dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en het gezag eenhoofdig aan de moeder wordt toegekend. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt verzocht dit in het centraal gezagsregister te registreren.
Uitkomst: Het hof kent het eenhoofdig gezag over de kinderen toe aan de moeder wegens onbereikbaarheid van de vader.