De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich ten eerste op het standpunt dat de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand is gebleven. Deze stelling mist echter feitelijke grondslag. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie immers vernietigd wegens schending van de hoorplicht. Reeds hierom behoeven de bezwaren van de gemachtigde die zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie in hoger beroep geen bespreking.
2. Voorts heeft de gemachtigde bezwaren tegen de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “ als bestuurder of passagier geen gebruik maken van een autogordel”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 november 2017 om 15:24 uur op de Nieuwstraat in Almelo met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Hij voert daartoe onder meer aan dat de boete is uitgeschreven door agent [naam1] , met nummer [nummer1] , maar dat die niet de ambtenaar is die de vermeende overtreding heeft vastgesteld. Dat was namelijk agent [naam2] . Het aanvullend proces-verbaal, dat deze ambtenaar heeft opgemaakt, is slechts een algemeen verhaal en ziet niet specifiek op de gedraging van de betrokkene. Ook is niet duidelijk wie van de beide agenten, [naam1] of [naam2] , of weer een andere collega, de betrokkene heeft staande gehouden. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 18 maart 2015, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2015:1978. 4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld.
5. In het dossier bevindt zich een zaakoverzicht. Hierin staat als nummer van de uitvoerend ambtenaar [nummer1] vermeld. Voorts bevat het zaakoverzicht onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: Ik verbalisant zag dat de bestuurster geen gordel droeg. (…)
Code van ambtenaar 2: [nummer2] (…).
Naam van ambtenaar 1: [naam1] (…).
Naam van ambtenaar 2: [naam2] (…).
Opmerkingen ambtenaar 1: reden staandehouding: ”mede ter controle op de naleving van de bij of krachtens de wegenverkeerswetgeving 1994 gestelde bepalingen stelde ik nader onderzoek in. Aan betrokkene is de cautie verleend (…).
Verklaring betrokkene: Ik droeg hem wel, maar omdat ik wilde parkeren had ik hem vast afgedaan.”
6. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 23 februari 2018. Hierin verklaart ambtenaar [naam2] ( [nummer2] ) onder meer het volgende:
“Op 14 november 2017 was ik samen met mijn collega’s belast met een verkeerscontrole op de Nieuwstraat te Almelo. Ik was in burger gekleed en reed in een onopvallend dienstvoertuig. Derhalve was ik niet herkenbaar als zijnde politie agent. Ik had mijn voertuig geparkeerd aan de Nieuwstraat. Ik stond tussen de Rohofstraat en de Albert Heijn aldaar. Ik weet niet meer ter hoogte van welk perceel ik stond. Ik stond met de achterzijde van het voertuig in de richting van de Rohofstraat en de voorzijde in de richting van de Albert Heijn. Ik stond aan de rechterzijde van de weg, gezien van de Rohofstraat.
Ik gaf de kentekens van voertuigen door, waarvan ik zeker wist dat de bestuurder geen gordel droeg. Alle voertuigen die ik heb doorgegeven zijn mij van achteren genaderd, over de Nieuwstraat, komende uit de richting van de Rohofstraat. De voertuigen passeerden mij aan de linkerkant. Ik zat tijdens het doorgeven van deze overtredingen in het dienstvoertuig.
Ik heb die middag talloze voertuigen doorgegeven, waarvan de bestuurder geen gordel droeg. Ik zag dit wanneer een voertuig mij gepasseerd was. Ik zag dan de gordel tegen de deurstijl aanhangen. Ik zag dat deze gordel niet gespannen stond maar los hing.
Ik kan mij het bewuste voertuig niet meer herinneren, maar ik heb alleen voertuigen doorgegeven aan collega’s waarvan ik zag dat de bestuurder geen gordel droeg."
7. Het hof leidt uit het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal af dat de gedraging is vastgesteld door ambtenaar [naam2] , die het kenteken van het voertuig, waarin de bestuurder zat die geen gordel droeg, heeft doorgegeven aan zijn collega ambtenaar [naam1] . Vervolgens heeft ambtenaar [naam1] de bestuurder van het voertuig staande gehouden en de sanctie aan die bestuurder -de betrokkene- opgelegd. Het hof ziet in de omstandigheid dat [naam1] de gedraging niet zelf heeft vastgesteld, geen aanleiding voor het oordeel dat hij niet bevoegd was de sanctie op te leggen. Daartoe merkt het hof op dat het bij het vaststellen van gedragingen als deze een gangbare werkwijze is dat twee ambtenaren bezig zijn met een gerichte verkeerscontrole, waarbij de ene ambtenaar de gedraging constateert en deze doorgeeft aan de andere ambtenaar, die vervolgens de staandehouding verricht en de beschikking aanzegt. Een redelijke uitleg van artikel 3, tweede lid, van de Wahv brengt mee dat bij een dergelijke werkwijze de sanctieoplegging niet slechts is voorbehouden aan de ambtenaar die de gedraging heeft vastgesteld maar ook mag gebeuren door de ambtenaar die de staandehouding verricht. Dit kan ook in het belang zijn van een betrokkene, in die zin dat de ambtenaar hetgeen een betrokkene ter gelegenheid van de staandehouding naar voren brengt, kan betrekken bij de vraag of oplegging van een sanctie billijk is.
8. De verwijzing door de gemachtigde naar het arrest van het hof van 18 maart 2015 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het hof in die zaak had vastgesteld dat het aanvullend proces-verbaal in het geheel geen waarnemingen bevatte van de ambtenaar die had verklaard de gedraging te hebben vastgesteld. Dat is, gelet op voormelde aanvullende verklaring van ambtenaar [naam2] , hier niet het geval.
9. Voorts blijkt uit de aanvullende verklaring dat ambtenaar [naam2] bij verschillende voertuigen, waaronder dat van de betrokkene, heeft gezien dat de gordel tegen de deurstijl hing. Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Het enkel stellen van de vraag of de ambtenaar het wel (goed) heeft kunnen zien en/of de enkele ontkenning dat de gedraging is verricht, is daartoe onvoldoende. Derhalve staat vast dat de gedraging is verricht.
10. De kantonrechter heeft het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
11. De overige bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom.
12. De gemachtigde voert in dit verband aan dat hij de officier van justitie bij brief van 15 mei 2018 in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het beroep en dat van een tijdige verdaging van de beslissing van de officier van justitie -naar het hof begrijpt in de zin van artikel 7:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - niet is gebleken.
13. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier vast dat de beslistermijn voor de officier van justitie op grond van artikel 7:24, eerste lid, van de Awb op 26 april 2018 verstreek.
14. Voorts stelt het hof vast dat het dossier een brief van de officier van justitie van 23 april 2018 bevat, waarin de termijn om te beslissen, overeenkomstig artikel 7:24, vierde lid, van de Awb, met 10 weken wordt verlengd. Deze brief is gericht aan de betrokkene en aan de gemachtigde F.R. Eggink, Haagbeuk 37, 7601 SC Almelo (het adres van de gemachtigde) en bevat het kenmerk LB0116 en het CJIB-nummer 212349035.
15. Daarnaast stelt het hof vast dat de advocaat-generaal de verzendadministratie van de Hoorpoule, afdeling Mulder beoordelen van het Parket CVOM, heeft overgelegd. Deze verzendadministratie heeft betrekking op verzending van twee poststukken aan Verbo Juridisch Advies/F.R. Eggink. In het overzicht staat op de tweede regel achtereenvolgens: kenmerk LB0116, CJIB-nummer 212349035, dagtekening 24 april 2018 en postcode 7601 SC. Onder het overzicht is de volgende tekst opgenomen: ‘Bovenstaande brieven heb ik ontvangen en gecontroleerd op aantal, kenmerk, en postcode in bijzijn van medewerker hoorpoule en zijn ter post bezorgd op:’, voorzien van de handtekening van de medewerker postkamer en de datum 24 april 2018.
16. De officier van justitie heeft hiermee naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de verdagingsbrief op 24 april 2018 aan de gemachtigde is verzonden.
17. Gezien het voorgaande heeft de officier van justitie de beslistermijn tijdig verlengd. Dit brengt mee dat de door de gemachtigde verzonden ingebrekestelling prematuur is, zodat geen dwangsom is verschuldigd. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het verzoek van de gemachtigde om de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen terecht afgewezen.
18. Het hof zal op grond van het voorgaande de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Het hof zal dit doen met verbetering van gronden, omdat de door de kantonrechter gebezigde grond voor het oordeel dat de ingebrekestelling prematuur was, namelijk omdat de gemachtigde wist dat er nog een hoorzitting zou plaatsvinden en de beslissing daardoor niet gegeven kon worden, niet juist is. Een dergelijke door de kantonrechter genoemde omstandigheid betekent niet dat de officier van justitie van toezending van een brief houdende verlenging van de beslistermijn kan afzien.
19. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).