ECLI:NL:GHARL:2022:6301

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 juli 2022
Publicatiedatum
21 juli 2022
Zaaknummer
Wahv 200.294.808/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 85 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie parkeren op laad- en losgelegenheid met gehandicaptenparkeerkaart

De betrokkene kreeg een sanctie van €95 opgelegd wegens parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen met een gehandicaptenparkeerkaart. Zij voerde aan dat twee agenten toestemming hadden gegeven om daar te parkeren vanwege de situatie met haar slecht ter been zijnde oma.

Het hof oordeelde dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze toestemming daadwerkelijk was verleend, mede omdat zij geen verklaring van de agenten had overgelegd. Ook is niet gebleken dat deze wijze van parkeren eerder werd gedoogd.

Verder is vastgesteld dat de wettelijke uitzonderingen voor gehandicaptenparkeerkaarten niet gelden voor parkeren op laad- en losplaatsen. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter vanwege een procedurele schending, maar verklaarde het beroep tegen de sanctie van de officier van justitie ongegrond. De sanctie blijft dus in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de sanctie van €95 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.294.808/01
CJIB-nummer
: 229655561
Uitspraak d.d.
: 21 juli 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 22 mei+ 2022 wordt hier overgenomen.

De beoordeling

1. Nu de betrokkene niet heeft verzocht om een behandeling ter zitting van het hof, zal het hof de zaak afdoen op basis van de stukken.
2. Gelet op de in het tussenarrest van 13 mei 2022 geconstateerde schending van artikel 12, eerste lid, van de Wahv zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
3. Vervolgens staat ter beoordeling van het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2019 om 12:20 uur op de Jan Steenstraat in Ridderkerk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. De betrokkene voert aan dat haar oma slecht ter been is en haar spraak volledig verloren heeft. Zij heeft de beschikking over een gehandicaptenparkeerkaart. De betrokkene, maar ook andere mantelzorgers, nemen haar vaak mee naar het centrum van Ridderkerk voor - kort gezegd - een gezellig uitje. Zo ook op zaterdag 26 oktober 2019. Het was op die dag op de betreffende locatie echter zo druk dat niet alleen de gehandicaptenparkeerplaatsen, maar ook de reguliere parkeerplaatsen bezet waren. In het verleden heeft de betrokkene om die reden tot twee keer toe aan een dienstdoende agent gevraagd of er dan in het laden- en lossengebied bij de Jan Steenstraat mocht worden geparkeerd. Twee verschillende agenten hebben daarop aangegeven dat het geen probleem is dat er op de bewuste locatie of op een plaats voor vergunninghouders wordt geparkeerd, mits de gehandicaptenparkeerkaart en de parkeerschijf goed zichtbaar achter de voorruit worden gelegd en er geen hinder wordt veroorzaakt. Op voormelde datum ging dit mis en heeft de betrokkene, ondanks de verkregen toestemming, een bekeuring gekregen. De betrokkene hoopt dan ook dat de beschikking wordt vernietigd.
6. De betrokkene betwist de gedraging niet. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten.
7. Op grond van artikel 85, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
(RVV 1990) is het door het in het artikellid buiten toepassing verklaren van enkele in het RVV 1990 opgenomen bepalingen voor autobestuurders toegestaan om op plaatsen te parkeren waar dat op grond van die bepalingen niet is toegestaan, mits gebruik wordt gemaakt van een geldige gehandicapten parkeerkaart en niet langer dan drie uren wordt geparkeerd. Een dergelijke uitzondering is echter niet gemaakt voor het parkeren op een door middel van bord E7 aangeduide gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen of op een door bord E9 aangeduide parkeerplaats voor vergunninghouders, ook niet als op dat moment de aanwezige gehandicaptenparkeerplaatsen bezet zijn. Dit betekent dat de betrokkene in een dergelijk geval elders een parkeergelegenheid dient te zoeken alwaar dat (op grond van de hiervoor bedoelde uitzonderingsbepalingen) is toegestaan of te wachten tot er een gehandicaptenparkeergelegenheid vrijkomt.
8. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij van twee verschillende politieagenten toestemming heeft gekregen om op de bewuste locatie te parkeren, maar zij is er onvoldoende in geslaagd om de gestelde gang van zaken aannemelijk te maken. Het had op de weg van de betrokkene gelegen om te (trachten te) achterhalen wie de verbalisanten waren die haar toestemming hebben gegeven en van hen een verklaring te krijgen. De betrokkene heeft echter volstaan met het stellen van de gang van zaken. Nu er geen verklaring van de verbalisant(en) is overgelegd, noch anderszins aannemelijk gemaakt dat er toestemming was gegeven voor deze wijze van parkeren, terwijl ook geenszins aannemelijk is gemaakt dat deze manier van parkeren door de betrokkene in het verleden is gedoogd, is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid die maakt dat een sanctie achterwege dient te blijven. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de betrokkene door deze gedraging geen hinder heeft veroorzaakt.
9. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.