Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2009 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hebben in 2022 hun huwelijk ontbonden. De vrouw is als huurder van de woning aan [adres] erkend, waarbij het hof het belang van haar binding met de woning en sociale netwerk doorslaggevend achtte. De man stelde dat hij recht had op de huur, maar deze grief faalde.
De verdeling van de inboedel, waaronder een kluis en een horloge, werd bevestigd zoals door de rechtbank vastgesteld: toewijzing aan degene die de goederen feitelijk bezit zonder nadere verrekening, omdat de man onvoldoende bewijs leverde voor overbedeling of bezit van sleutels.
Het conservatoire beslag op onroerend goed in België blijft gehandhaafd, omdat verkoop mogelijk is mits afspraken over vergoeding. De vrouw's vordering op haar zoon, bestaande uit bedragen die zij aan hem overmaakte, werd niet als schenking erkend; het hof oordeelde dat deze vordering onderdeel blijft van de huwelijksgemeenschap en toebedeeld blijft aan de vrouw onder verplichting tot vergoeding aan de man.
Alle grieven van partijen zijn verworpen, de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst alle grieven van partijen af.