Uitspraak
[appellant]te noemen,
NS Reizigerste noemen,
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep
- de memorie van grieven
- de memorie van antwoord
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant kwam in 2021 in verzet tegen een verstekvonnis uit 2006 waarbij zij werd veroordeeld tot betaling van een bedrag aan NS Reizigers wegens niet-betaalde jaartrajectkaartkosten. De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk omdat het niet tijdig was ingesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat zij pas in juli 2021 kennis had genomen van het verstekvonnis, maar het hof oordeelde dat appellant reeds in oktober 2006 en september 2020 op de hoogte was gesteld via betekening van het vonnis en het derdenbeslag. Door loonbeslag en communicatie met de deurwaarder was appellant bekend met de schuld.
De wettelijke termijn van vier weken voor verzet vangt aan bij de eerste betaling onder het derdenbeslag, die op 14 september 2020 plaatsvond. Appellant stelde het verzet pas in juli 2021 in, ruim na het verstrijken van deze termijn. Het hof oordeelde dat dit niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro) en verklaarde appellant niet-ontvankelijk.
Het hoger beroep werd afgewezen, het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd en appellant werd veroordeeld tot betaling van proceskosten. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Appellant is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet wegens niet tijdige indiening, het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.