ECLI:NL:GHARL:2022:6887

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 augustus 2022
Publicatiedatum
4 augustus 2022
Zaaknummer
Wahv 200.299.294/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 14 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens appelverbod in bestuursstrafzaak Wahv

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursstrafrechtelijke zaak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingesteld.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat noch hijzelf noch de betrokkene was opgeroepen voor de zitting bij de kantonrechter, en verzocht het hof het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof constateerde echter dat de gemachtigde wel degelijk op de zitting van de kantonrechter was verschenen en het woord had gevoerd, waardoor geen sprake was van schending van het recht op toegang tot de rechter.

Het hof oordeelde dat geen van de in artikel 14 Wahv Pro genoemde uitzonderingen op het appelverbod van toepassing was. Daarom verklaarde het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.299.294/01
CJIB-nummer
: 222636372
Uitspraak d.d.
: 4 augustus 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 11 maart 2021, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De officier van justitie heeft op 10 mei 2019 de inleidende beschikking vernietigd en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep te laat is ingesteld.
3. De gemachtigde voert in hoger beroep onder meer aan dat hij noch de betrokkene is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter en is van mening dat het hof het beroep daarom ontvankelijk kan achten. Het hof beschouwt dit verweer als strekkende tot buiten toepassing laten van het appelverbod.
4. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de gemachtigde op de zitting van de kantonrechter van 25 februari 2021 is verschenen namens de betrokkene en hier het woord heeft gevoerd. Er is dan ook geen sprake geweest van schending van het recht op toegang tot de rechter.
5. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hof zal het hoger beroep - dat zich richt tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding - niet-ontvankelijk verklaren.
6. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.