ECLI:NL:GHARL:2022:6957

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 augustus 2022
Publicatiedatum
9 augustus 2022
Zaaknummer
200.307.156
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 lid 1 onder a BWArt. 1:267 BWEuropees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beëindiging ouderlijk gezag vader over minderjarige kinderen

De zaak betreft een hoger beroep van de vader tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die het ouderlijk gezag van de vader over zijn twee minderjarige kinderen beëindigde op verzoek van de raad voor de kinderbescherming. De rechtbank had geoordeeld dat het gezag moest worden beëindigd omdat de vader niet in staat zou zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding binnen een aanvaardbare termijn te dragen en de kinderen in hun ontwikkeling ernstig werden bedreigd.

In hoger beroep heeft het hof de bestreden beschikking vernietigd. Het hof overweegt dat het wetsartikel waarop het verzoek is gebaseerd (artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW) primair bedoeld is voor situaties waarin een kind langdurig uit huis is geplaatst en duidelijkheid moet komen over het opvoedingsperspectief. Voor het oudste kind, dat sinds 2020 weer bij de moeder woont, is niet voldaan aan het tweede vereiste omdat het perspectief duidelijk is. Voor het jongste kind, dat op een crisisplek verblijft, is het perspectief nog onduidelijk, maar beëindiging van het gezag is op dit moment niet noodzakelijk.

Het hof acht de door de raad aangevoerde feiten onvoldoende om te concluderen dat de vader zodanig dwarsligt bij de uitoefening van het gezag dat dit een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van de kinderen. De vader wordt wel aangespoord om zijn beschikbaarheid en bereikbaarheid te verbeteren. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het verzoek tot beëindiging van het gezag wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader af en vernietigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.307.156
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 529459)
beschikking van 9 augustus 2022
inzake
[verzoeker],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Utrecht,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [woonplaats1] ,
verder te noemen: de moeder,
en
de gecertificeerde instelling
Willem Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verder te noemen: de GI.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 februari 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 februari 2022;
- het verweerschrift van de raad met een productie.
2.2
De hierna te noemen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening over het verzoek kenbaar te maken, maar hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2022 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordiger van de raad; en
- een vertegenwoordiger van de GI.
Met kennisgeving vooraf was de moeder niet aanwezig bij de mondelinge behandeling.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , [in] 2007 te [plaats1] (China); en
- [de minderjarige2] , [in] 2010 te [plaats2] (China).
3.2
Bij beschikking van 12 augustus 2016 heeft de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI. Na meerdere malen te zijn verlengd, is de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] bij beschikking van 22 maart 2022 met ingang van die datum opgeheven. De ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] is voor het laatst verlengd op 2 augustus 2021, tot 12 augustus 2022.
3.3
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn op 18 april 2019, na een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing, in het gezinshuis [naam1] in [plaats3] geplaatst.
Sinds 5 augustus 2020 woont [de minderjarige1] weer volledig bij de moeder.
3.4
Bij beschikking van 2 augustus 2021 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] verlengd. De kinderrechter heeft een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] in een gezinshuis, en aansluitend in een 24-uurs accommodatie bij een jeugdhulpaanbieder, verleend tot 12 februari 2022.
De beslissing over het resterende deel van het verzoek - nog zes maanden - heeft de kinderrechter daarbij aangehouden.
3.5
Bij beschikking van 28 januari 2022 heeft de kinderrechter het aangehouden gedeelte van het verzoek van de GI afgewezen.
Dat betekent dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor [de minderjarige2] op 12 februari 2022 is geëindigd. [de minderjarige2] is op 14 februari 2022 bij de moeder teruggeplaatst.
Na tien dagen is [de minderjarige2] echter op een crisisplek geplaatst, omdat het thuis niet goed ging. [de minderjarige2] verblijft op dit moment nog steeds op de crisisplek, in afwachting van een plaats in een woongroep.

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd.
4.2
De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Hij verzoekt het hof de beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de raad af te wijzen.
4.3
De raad voert verweer en vraagt het verzoek van de vader af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:267 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad.
Het verzoek van de raad is dan gegrond op artikel 1:266 lid 1 onder Pro a van het BW. Daarin staat dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
Het hof stelt voorop dat een verzoek tot gezagsbeëindiging door de raad, op basis van deze wetsbepaling, een overheidsingrijpen is waarbij inbreuk gemaakt wordt op het familie- en gezinsleven van de ouder en het kind. Dat overheidsingrijpen moet voldoen aan de vereisten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In dit verdrag staat onder meer dat het ingrijpen noodzakelijk moet zijn, en dat het moet voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. Ingrijpen is dus alleen toegestaan, als er geen lichter middel voorhanden is om het gestelde doel te bereiken. Ook moet het hof, net als ieder overheidsorgaan, overwegen of de verzochte maatregel in een redelijke verhouding staat tot het doel dat ermee wordt nagestreefd.
5.2
De vader voert het volgende aan. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift stonden de beide kinderen onder toezicht van de GI en woonden zij thuis, bij de moeder.
Omdat de kinderen bij de moeder woonden is (was) aan het tweede vereiste van artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW niet voldaan (over het kunnen dragen van verantwoordelijkheid binnen een aanvaardbare termijn) en kan (kon) het gezag niet worden beëindigd.
Dat zou slechts anders kunnen zijn wanneer het gezamenlijke gezag of de uitvoering daarvan zoveel conflicten oplevert voor de kinderen dat deze op zichzelf, of in combinatie met andere factoren, een ernstige bedreiging zou opleveren voor de ontwikkeling van de kinderen. Als de handelwijze van één van de ouders daarbij zó belastend zou zijn dat daardoor voor de kinderen een onveilig of beschadigend opvoedingsklimaat ontstaat én niet te verwachten is dat hierin binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn verbetering zou zijn te verwachten, kan ook aan die tweede voorwaarde zijn voldaan. Volgens de vader is echter niet gebleken dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging voortvloeit uit de uitoefening van het gezamenlijk gezag, en evenmin uit zijn handelwijze als opvoeder. De vader werkt gezagsbeslissingen niet tegen. Dat de omgang niet van de grond komt, is onvoldoende om het gezag te beëindigen.
Inmiddels is de situatie veranderd. De ondertoezichtstelling over [de minderjarige1] is geëindigd; er is geen ernstige ontwikkelingsbedreiging meer en daarmee is evenmin meer aan het eerste vereiste van artikel 1:266 lid 1 onder Pro 1 BW voldaan.
[de minderjarige2] woont niet meer bij de moeder zodat zijn situatie (juridisch) anders is dan die van [de minderjarige1] .
5.3
Volgens de raad was en is wel voldaan aan de vereisten van artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW. De handelwijze van de vader is dermate belastend voor de kinderen en in strijd met hetgeen van een verantwoordelijk opvoeder mag worden verwacht dat daardoor voor de kinderen een onveilige en beschadigende opvoedsituatie ontstaat en daar niet binnen een voor de persoon en ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn voldoende verbetering valt te verwachten. Er bestaan ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. Hij is onvoldoende actief betrokken geweest bij de kinderen en er is al geruime tijd geen contact tussen hem en de kinderen. De vader is slecht bereikbaar en onvoldoende beschikbaar als gezaghebbende ouder, voor zowel de kinderen als de GI. Het is in het belang van de kinderen dat het gezag wordt beëindigd, omdat zij geen contact met hem willen en om te voorkomen dat er spanningen bij de moeder ontstaan.
5.4
De GI stelt dat de vader niet reageert op e-mailberichten en dat zij nog nooit een handtekening van hem heeft kunnen verkrijgen en dat zij niet weet hoe dat in de toekomst zou moeten. Er moet rekening worden gehouden met [de minderjarige1] die tegen de rechter in eerste aanleg heeft gezegd waarom hij niet wil dat zijn vader het gezag heeft.
5.5
Naar het oordeel van het hof is hetgeen de raad heeft aangevoerd onvoldoende om met toepassing van artikel 1:266 lid 1 sub a BW Pro het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen. Daarbij neemt het hof mee dat de wetgever bij dit artikellid primair de situatie voor ogen heeft gehad dat een kind langdurig uit huis is geplaatst en er duidelijkheid dient te komen over het opvoedings- en het ontwikkelingsperspectief van het kind. De gezagsbeëindiging dient er in dat geval toe dat er een einde komt aan de onzekerheid voor het kind over de vraag in welk gezin het gaat opgroeien.
5.6
Over [de minderjarige1] overweegt het hof het volgende. Sinds 5 oktober 2020 woont [de minderjarige1] weer bij zijn moeder. Hieruit volgt dat aan het tweede vereiste van artikel 1:266 lid 1 onder Pro a BW niet is voldaan en dat het gezag niet op die grond kan worden beëindigd. Immers, voor [de minderjarige1] is sinds 5 oktober 2020 al duidelijk dat hij bij zijn moeder zal opgroeien. De vader stelt de verblijfplaats van [de minderjarige1] bij de moeder niet ter discussie en heeft dat ook nooit gedaan.
Gelet op de parlementaire geschiedenis kan onder omstandigheden echter ook aan de tweede voorwaarde zijn voldaan wanneer het kind bij de andere ouder woont. In dat geval dient de aanhoudende handelwijze van de andere ouder zoveel problemen bij het kind op te leveren dat dit een ernstige bedreiging oplevert voor diens ontwikkeling. Ook moet dan komen vast te staan dat in die situatie geen verbetering te verwachten is binnen een redelijke termijn.
Daarvan is in het geval van [de minderjarige1] geen sprake.
5.7
In de eerste plaats is de ondertoezichtstelling voor [de minderjarige1] opgeheven op 22 maart 2022. De raad heeft niet gesteld en evenmin is het hof gebleken dat [de minderjarige1] nu, ondanks zijn ontwikkelingsproblematiek, nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Het gaat, zo blijkt uit het verweerschrift, goed met [de minderjarige1] bij zijn moeder. Hij heeft geen contact met zijn vader.
Het hof beschikt verder (enkel) over het raadsrapport van 22 oktober 2021 en uit dit rapport blijkt niet dat de daarin genoemde ontwikkelingsproblematiek van [de minderjarige1] voortkomt uit het gezamenlijke gezag of de uitvoering daarvan. Uit het raadsrapport blijkt weliswaar dat de vader moeilijk te bereiken is en dat hij niet altijd direct toestemming geeft ten behoeve van [de minderjarige1] als hij een verzoek krijgt, maar uiteindelijk geeft de vader wel zijn toestemming. Dat de vader (op een zodanige wijze) dwars ligt bij de uitoefening van het gezag dat zijn handelwijze een ernstige bedreiging vormt voor de ontwikkeling van [de minderjarige1] , is niet gebleken. Dat, zoals de raad heeft aangevoerd, de vader niet actief betrokken is bij de opvoeding acht het hof evenmin voldoende grond.
5.8
Over [de minderjarige2] overweegt het hof als volgt. Hoewel de situatie voor [de minderjarige2] (inmiddels) anders is dan die voor [de minderjarige1] , nu hij niet meer bij de moeder woont, maar op een crisisplek, ziet het hof ook voor hem geen aanleiding om het gezag van de vader te beëindigen. Voor [de minderjarige2] is er nog geen duidelijkheid over de plek waar hij zal opgroeien. Zoals de GI tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd, staat nog open of hij uitwonend blijft of dat hij mogelijk toch weer bij de moeder kan gaan wonen. Voor [de minderjarige2] is het, net als voor [de minderjarige1] , van belang dat die duidelijkheid over zijn opgroeiperspectief gaat komen, maar acht het hof beëindiging van het gezag van de vader daartoe op dit moment niet noodzakelijk.
Het hof is van oordeel dat in het geval van [de minderjarige2] nu (nog) kan worden volstaan met een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. Daarbij neemt het hof in overweging dat, zoals hiervoor onder 5.7 is overwogen, niet is gebleken dat de vader de intentie heeft om zelf de opvoeding en verzorging van [de minderjarige2] op zich te nemen. Ook voor [de minderjarige2] is niet gebleken dat de vader (op een zodanige wijze) dwars ligt bij de uitoefening van het gezag dat zijn handelwijze een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [de minderjarige2] vormt. De komende tijd zal moeten blijken wat de definitieve woonplek voor [de minderjarige2] gaat worden en of de vader het aankan om zijn ouderlijke verantwoordelijkheden te blijven uitoefenen en in het belang van [de minderjarige2] te handelen.
5.9
Het hof wil voor de vader benadrukken dat hij, nu hij het ouderlijk gezag over de kinderen weer terugkrijgt, zal dienen te werken aan zijn beschikbaarheid en bereikbaarheid voor de moeder en de GI.
5.1
Gelet op het vorenstaande, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 februari 2022;
wijst alsnog af het inleidend verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, H. Phaff en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. I.M. Redert als griffier, en is op 9 augustus 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.