AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding in bestuursstrafzaak wegens onjuiste samenhang en hoorzittingswijze
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de afwijzing van zijn verzoek om proceskostenvergoeding door de kantonrechter. Het hof constateerde dat de gemachtigde niet deugdelijk was opgeroepen voor de zitting, waardoor het appelverbod buiten toepassing werd gelaten en het hoger beroep ontvankelijk was.
De officier van justitie had de onderhavige zaak ten onrechte als samenhangend met 22 andere zaken aangemerkt, terwijl deze op verschillende momenten werden behandeld en inhoudelijk verschilden. Dit leidde tot een onjuiste berekening van de proceskostenvergoeding. Tevens was de weigering van een fysieke hoorzitting niet reden voor een hogere vergoeding bij telefonisch horen.
Het hof vernietigde de beslissingen van de kantonrechter en officier van justitie en kende een proceskostenvergoeding toe van € 1.044,20, waarbij rekening werd gehouden met de juiste wegingsfactoren en het reeds toegekende bedrag.
Uitkomst: Het hof vernietigt eerdere beslissingen en kent een proceskostenvergoeding van € 1.044,20 toe aan de betrokkene.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.297.938/01
CJIB-nummer
: 233532419
Uitspraak d.d.
: 15 augustus 2022
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 18 maart 2022 is een nader stuk ontvangen van de gemachtigde van de betrokkene.
De zaak is behandeld op de zitting van 18 maart 2022. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] . De behandeling van de zaak is ter zitting aangehouden.
Een afschrift van het proces-verbaal van de zitting is op 23 maart 2022 verstuurd aan de gemachtigde van de betrokkene en de advocaat-generaal.
Op 6 april 2022 zijn nadere stukken ontvangen van de advocaat-generaal.
Op 12 juli 2022 in een schriftelijke standpunt ten behoeve van de zitting ontvangen van de advocaat-generaal. Een afschrift is aan de gemachtigde van de betrokkene gestuurd.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 augustus 2022. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
De beoordeling
1. Artikel 14 vanPro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De inleidende beschikking is door de officier van justitie vernietigd in de fase van het administratief beroep. De kantonrechter heeft beslist op het beroep tegen de door de officier van justitie toegekende proceskostenvergoeding.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten, omdat hij noch de betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
4. In het dossier bevindt zich een aan de gemachtigde gerichte brief van de griffier van de rechtbank, gedateerd 4 mei 2021, waarin de gemachtigde is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 3 juni 2021. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en niet blijkt dat de uitnodiging aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Er is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Dit brengt mee dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten en het hoger beroep ontvankelijk is.
5. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
6. De officier van justitie heeft, op 22 september 2020 beslist op het administratief beroep. Bij die beslissing is de inleidende beschikking vernietigd.
7. Vervolgens heeft de officier van justitie, bij de bestreden beslissing van 24 september 2020, beslist op het verzoek om proceskostenvergoeding. Hierbij heeft de officier van justitie een vergoeding voor proceskosten voor verleende rechtsbijstand toegekend van € 590,65. Vermeld is dat dit bedrag als volgt is berekend: 1 punt voor het beroep bij de officier van justitie, 0,5 punt voor de hoorzitting, samenhangende zaak, 4 zaken of meer, factor 1,5, wegingsfactor 0,5. Uit de beslissing blijkt dat de officier van justitie de onderhavige zaak heeft aangemerkt als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) met 22 andere in de bijlage bij de beslissing genoemde zaken. Het hof begrijpt dat dit een vergoeding betreft voor alle 23 zaken.
8. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de beslissing van de officier van justitie dient te worden vernietigd wegens een motiveringsgebrek. Uit die beslissing blijkt in het geheel niet op welke gronden de officier van justitie heeft besloten deze zaak als samenhangend met de 22 andere in zijn beslissing genoemde zaken te beschouwen. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat de beslissing van de officier van justitie ex tunc moet worden beoordeeld. Nu een begrijpelijke motivering ontbreekt, is een kostenveroordeling onvermijdelijk. Verder voert de gemachtigde aan dat geen sprake is van samenhangende zaken: de beroepen zijn niet gelijktijdig ingediend, inhoudelijk is veelal sprake van een afwijkend feitencomplex en de toelichting van de betrokkenen en de verweren zijn ook sterk afwijkend. Daarbij wijst de gemachtigde erop dat de officier van justitie de bewijslast draagt van de stelling dat zaken samenhangen en dat gelijktijdige afdoening van de zaken onvoldoende is voor bewijs van die samenhang. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat er geen aanleiding bestaat het punt voor het telefonisch horen te matigen. De officier van justitie is verzocht in te stemmen met een fysieke hoorzitting. De officier van justitie heeft dit expliciet geweigerd. Nu het telefonisch horen dwingend wordt opgelegd is een matiging niet redelijk. Tot slot verzoekt de gemachtigde in deze zaak niet de wegingsfactor zeer licht, maar de wegingsfactor gemiddeld toe te passen. De gemachtigde merkt op dat sprake is van misbruik van bevoegdheid omdat ook de officier van justitie moet inzien dat alle hier betreffende zaken nooit op deze manier kunnen samenhangen.
9. De advocaat-generaal heeft zich in het schriftelijk standpunt ten behoeve van de zitting op het standpunt gesteld dat, nu de hoorzittingen in de zaken op verschillende momenten in juli en augustus hebben plaatsgevonden, niet meer kan worden gesproken van (nagenoeg) gelijktijdige behandeling.
10. Uit artikel 3, eerste lid, van het Bpb, gelezen in samenhang met de artikelen 1, aanhef en onder a, en 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bpb, volgt dat voor het vaststellen van het bedrag van de proceskostenvergoeding samenhangende zaken worden beschouwd als één zaak.
11. Artikel 3, tweede lid, van het Bpb bepaalt dat ‘samenhangende zaken’ zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.
12. In de onderhavige zaak heeft de gemachtigde op 25 mei 2020 namens de betrokkene een beroepschrift ingediend tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie was opgelegd van € 140,- voor het niet de rijbaan gebruiken die zou zijn gepleegd op 9 mei 2020 op de Jan van der Heijdenstraat te ‘s-Gravenhage. In dit beroepschrift wordt het CJIB-nummer genoemd, de naam van de betrokkene en wordt opgemerkt dat de betrokkene in algemene zin de gedraging betwist. Verder verzoekt de gemachtigde om te worden gehoord en om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Daarnaast wordt aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, dat uit het dossier niet blijkt van een toereikend schouwrapport en dat de betrokkene ten onrechte niet is staandegehouden.
13. De gemachtigde is op 14 juli 2020 telefonisch door de officier van justitie gehoord. Daarbij heeft de gemachtigde aangevoerd dat het verdedigingsbeginsel is geschonden en de betrokkene kan zich daardoor niet adequaat verdedigen. Het betreft hier op deze zaak toegespitste gronden.
14. De officier van justitie heeft op 22 september 2020 op het beroep beslist. De inleidende beschikking is vernietigd omdat de informatie die de ambtenaar heeft verstrekt onvolledig is.
15. In de door de officier van justitie als samenhangend aangemerkte 22 andere zaken is ook op 22 september 2020 op het beroep beslist.
16. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de andere 22 zaken telefonische hoorzittingen zijn gehouden op verschillende momenten in juli en augustus 2020. Van een (nagenoeg) gelijktijdige behandeling is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het tijdsverloop is zodanig dat kan worden aangenomen dat de gemachtigde zich opnieuw in de materie moest verdiepen.
17. Met betrekking tot de vraag of de werkzaamheden van de gemachtigde in alle zaken identiek of nagenoeg identiek konden zijn geweest, merkt het hof op dat dit in ieder geval niet geldt voor de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht ter gelegenheid van de diverse hoorzittingen. In de 22 door de officier van justitie als samenhangend aangemerkte zaken zijn sancties opgelegd voor verschillende gedragingen die zouden zijn verricht op verschillende locaties en verschillende tijdstippen. De gedragingen betreffen niet alleen niet de rijbaan gebruiken, maar diverse andere gedragingen zoals onder meer snelheidsovertredingen, het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat, doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht dat op rood staat en handelen in strijd met een geslotenverklaring. De gemachtigde heeft in verschillende zaken telkens op de individuele zaak toegespitste gronden naar voren gebracht in het administratief beroepschrift dan wel tijdens de hoorzitting.
18. De conclusie is dat de officier van justitie ten onrechte samenhang van de onderhavige zaak met de 22 andere in zijn beslissing genoemde zaken heeft aangenomen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding is toegekend, rekening houdende met de samenhang met de 22 andere zaken, gegrond verklaren en die beslissing vernietigen.
19. Het hof zal in de onderhavige zaak een vergoeding toekennen voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift alsmede het bijwonen van twee zittingen bij het hof dienen in totaal 4,5 punten te worden toegekend. Voor het telefonisch horen in administratief beroep zal het hof met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb 0,5 punt toekennen. Het hof ziet in wat de gemachtigde aanvoert geen reden één punt toe te kennen. De gemachtigde stelt dat de officier van justitie weigert fysiek te horen, maar dit rechtvaardigt niet de toekenning van een vergoeding die past bij het verschijnen bij een fysieke hoorzitting. Indien de gemachtigde niet - zoals hier niet het geval is - instemt met telefonisch horen, zal de officier van justitie een fysieke hoorzitting moeten houden. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-.
20. Gelet op de aard van de zaak wordt voor de fase van het administratief beroep de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Voor de fase van het beroep bij de kantonrechter en in hoger beroep, welke procedures slechts betrekking hebben op de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding, zal het hof de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toepassen. Voor het toepassen van de factor gemiddeld is geen aanleiding. Aan de enkele omstandigheid dat de officier van justitie bij het beslissen op het administratief beroep had moeten onderkennen dat de zaken niet als samenhangend zijn aan te merken, kan niet zonder meer de gevolgtrekking worden verbonden dat de officier van justitie een verwijt kan worden gemaakt dat ertoe moet leiden dat een hogere wegingsfactor moet worden toegepast dan gebruikelijk.
21. Op de proceskostenvergoeding zal het hof in mindering brengen het bedrag dat de officier van justitie reeds voor deze zaak als proceskostenvergoeding heeft toegekend. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.044,20
(= (1,5 x € 541,- x 0,5) + (3,5 x € 759,- x 0,25) – (€ 590,65 : 23)).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie van 24 september 2020, voor zover daarbij in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding is toegekend;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.044,20.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.